Een lezing op het land

,,In de huiskamer wachtten ongeveer veertig mensen. Het was er zeer warm. Ik voelde me in het geheel niet behaaglijk meer. Slok sprak een kort inleidend woord, maar ik verstond er niets van. Ook had ik de grootste moeite de aanwezigen, die het ene ogenblik in de verte wegzeilden om het volgende moment, als in een revue of zangspelletje, weer op mij toe te snellen, degelijk in het oog te houden. Tevens zwaaiden de muren bedenkelijk. Iemand stelde de eerste vraag. Ik liet deze herhalen, maar ook toen drong de betekenis niet tot me door. Er viel een lange stilte. `Interessant', mompelde ik. Na ongeveer een minuut nodigde Slok een volgende belangstellende uit. Dit was een dame op de eerste of tweede rij. (...) `Dat boek De Avonden', vroeg ze streng, `daar komt helemaal geen seksualiteit in voor. Kunt u ook zeggen waarom dat zo is?' Ik probeerde na te denken, maar dit leidde tot niets. `Een interessante vraag', zei ik. `Dit is werkelijk een interessante vraag' (...) Tenslotte nam Phal het woord. `Nou moeten jullie niet liggen te leuteren', verklaarde hij. `Die jongen die heeft dit boek geschreven. Nou heeft die jongen dat boek geschreven. En nou moeten jullie niet leuteren. Dat boek, dat heeft hij geschreven. Dus hij heeft dat boek geschreven.' `Wat een dranklucht', werd ergens geklaagd.''

Herkent u dit fragment? Het komt uit Een lezing op het land van Gerard Reve (Tien Vrolijke verhalen, 1961, toen het fenomeen literaire avond net uitgevonden zal zijn). De paniek van de schrijver die zich – ook zonder alcohol – vertwijfeld afvraagt: wat doe ik hier, mijn boek spreekt toch voor zichzelf, wat heb ik daaraan toe te voegen, moet in de afgelopen boekenweek weer menig debutant of beginneling in het lezingencircuit vertrouwd voorgekomen zijn. Of is dat al een achterhaalde veronderstelling, alleen geldend voor de ouderwetse zonderling die nog geen selfpromoting performance geeft en `als mens' in de luwte van zijn boek wil blijven?

Op weg naar zo'n lezing in het land had ik de Tien vrolijke verhalen als treinlectuur meegenomen. Geen verstandige keus, want je stapt veel te lacherig uit en wat je die avond zelf gaat beweren en voorlezen steekt bij Reve stakkerig serieus en bleek af.

Maar de avond verliep geanimeerd. De strenge dame komt weinig meer op literaire avonden. Haar plaats is ingenomen door een heleboel andere, uiterst welwillende dames die van tevoren in hun leeskring over de schrijver gediscussieerd hebben en geschoold zijn in het ontdekken van symboliek, verborgen motieven en overeenkomsten tussen de verschillende boeken. Op dergelijke avonden in Zierikzee, Heerhugowaard of Harlingen is me vaak pas duidelijk geworden wat ik bedoel met sommige boeken. Dat blijkt meer te zijn dan ik zelf ooit in de gaten heb gehad.

Er zijn natuurlijk ook mannen bij. Die zijn net zo vaardig in het hanteren van literaire termen en het uitdrukken van door een boek opgeroepen emoties (als daar soms twijfel over zou bestaan), maar als iemand vraagt: `Kunt u nou een beetje leven van die schrijverij?' of `Als je in werkelijkheid zo zou manoeuvreren met zo'n boot, weet u dat je dan hartstikke vast zou komen te zitten?', dan is het een man.

Ook deze literaire avond was weer een bijeenkomst van vriendelijke, beschaafde lezers die kennelijk iets in het gebodene hadden gezien – anders hadden ze geen kaartje gekocht – belangstellend luisterden en zinnige vragen stelden.

In de trein terug las ik nog een verhaal uit de bundel van Reve, Lof der scheepvaart. De schrijver vaart op een vrachtboot mee naar Engeland en raakt in gesprek met de kapitein en diens vrouw.

,,`Wat voor soort boeken schrijft u?'

`Romans... een roman... verhalen...' mompelde ik. Het kwam mij als volkomen gelogen voor.

Nadat de vrouw uitvoerig de inhoud van een mooi boek, ook een roman, heeft naverteld, vraagt de kapitein: `Schrijft u zulke boeken? Schrijft u dramatische boeken?'

`Ja, dat is niet zo gemakkelijk te zeggen', antwoordde ik, terwijl ik radeloos een paar maal heen en weer keek en daarna weer voor mij uit staarde. `Dramatisch, nee', mompelde ik half verstaanbaar. Opnieuw kreeg ik de gewaarwording dat niets van wat ik zei waar was, dat ik loog en bedroog en dat ik, onder volstrekt valse voorwendsels, als een parasiet, passage aan boord van een schip van oppassende en vlijtige mensen had gevonden. `Klootzak', zei ik bij mezelf. (...) `Je bent helemaal geen schrijver. Opschepper. Zak. Kale kakschopper'.''

Het was al na twaalven dat ik dit las, tussen slapende of vermoeid een krant doorbladerende medepassagiers, en ik moest moeite doen om niet hardop in een hinderlijke giechel te raken, zo herkenbaar is die passage. Nu heeft herkenning altijd iets pijnlijks, dus in dit geval ook. Het is gek; ik doe tijdens zo'n lezing mijn best om onderhoudend te zijn, ik ben geen al te grote egotripper of fantast, vertel simpelweg welke bronnen en ideeën tot een boek geleid hebben en daarvan is niets noemenswaardigs gelogen. Toch voel ik me op de terugweg in de trein een oplichter, een flessentrekker, een vertegenwoordigster in literaire flauwekul, die geheel ten onrechte een fraai boeket of een kruik kruidenjenever uit de streek naast zich heeft liggen, geschenk van oppassende mensen met een normaal beroep, die die onzin beleefd hebben aangehoord, maar er onderwijl wel het hunne van gedacht zullen hebben.

Steeds vrees ik dat er een avond zal komen waarop die strenge, maar rechtvaardige dame uit het publiek opstaat en rustig verklaart: `Mevrouw, u bent helemaal geen schrijfster, u bent een kale kakschopper, weet u dat?'

Het zal de eeuwige, universele twijfel van de schrijver wel weer zijn.