Van oude mensen

Louis Couperus' familieroman over de nasleep van een Indische crime passionnel is een boek dat na honderd jaar nauwelijks is verouderd, stelt Pieter Steinz in zijn stoomcursus literatuur.

Op de laatste dag van Boekenweek aandacht voor een Nederlandse roman. En niet de minste, want Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan is behalve een hoogtepunt in het grootse oeuvre van Louis Couperus (1863-1923) ook een van de geslaagdste literaire misdaadromans uit de Nederlandse literatuur – met als enige serieuze concurrenten Het gouden ei, De aanslag en De vierde man. Bovendien is het verhaal van een vérstrekkende passiemoord in Indië een aangrijpende roman over de geheime liefde van twee stokoude Haagse repatrianten. Geen wonder dat het in de `Boekenweektest' van de openbare bibliotheken (een quiz rondom 25 literaire illustraties van Peter van Straaten) een ereplaatsje bezet tussen onder meer Anna Karenina en Lolita.

In Van oude mensen verenigde Couperus zijn sterke kanten. Vanaf zijn debuut Eline Vere (1889), over de ondergang van een delicate romantica, had hij aanzien verworven met in upper-class Den Haag gesitueerde psychologische zedenromans, waarvan De boeken der kleine zielen (1901-03) het mooiste voorbeeld is. Een reis naar Nederlands-Indië inspireerde hem rond de eeuwwisseling tot de erotische thriller De stille kracht en vijf jaar later tot Van oude mensen, waarin de trage ontrafeling van pijnlijke geheimen in contemporain Den Haag wordt doorsneden met flashbacks naar het Indië van het midden van de 19de eeuw.

Middelpunt van Couperus' achttiende roman is de bijna honderdjarige `grootmama' Ottilie Derckz, die nog dagelijks bezoek krijgt van de niet veel jongere Meneer Takma. Met hem heeft zij in Indië haar echtgenoot vermoord; van hem heeft zij een dochter gekregen die haar werkelijke afkomst niet kent. Het zijn daden die de betrokkenen met schuldgevoelens en wurgende angst voor ontdekking hebben opgezadeld, maar die ook de volgende generaties treffen. De twee families lijden al zestig jaar onder `een fatum van ongelukkige huwelijken', maar de shame and scandal barst pas goed los wanneer Takma's kleindochter Elly trouwt met Ottilie's kleinzoon Lot (die hoogstens vermoedt dat hij ook afstamt van Takma), en wanneer een zoon van Ottilie terugkomt uit Indië, waar hij ontdekt heeft dat zijn vader vermoord is.

Zoals in veel van Couperus' romans regeert in Van oude mensen het Noodlot. Hoewel de schrijver een literaire eenling was, die ondanks zijn voorliefde voor `woord-mooie zinnen' geen deel uitmaakte van de Nederlandse Beweging van Tachtig, was hij een groot bewonderaar van de Franse naturalisten, die hun personages lieten leven en sterven in de schaduw van erfelijkheid en milieu. Niet voor niets zegt een van Couperus' hoofdpersonen in het eerste hoofdstuk: `Wat gaf het, te willen leven, als men toch werd geleefd door dingen sterker dan jezelve, en die sluimerden in je bloed?'

Van oude mensen is een moderne roman, met spookachtige flashbacks, monologues intérieurs en cliffhangers waaraan de oorspronkelijke feuilletonvorm nog te herkennen is. Dat de plot ijzersterk is, wist Couperus zelf ook. Met een pre-postmoderne knipoog laat hij aan het eind van Van oude mensen zijn alter ego, de schrijver-journalist Lot, overwegen om een roman te wijden aan de nu geheel ontraadselde moord. Maar lang hoeft Lot niet na te denken:

`Neen, dacht hij, en hij zeide het bijna hard-op: het zou mij te romantisch zijn.'

Pieter Steinz: ps@nrc.nl