Troje

In Tübingen woedt niet alleen een academische versie van de Trojaanse oorlog (`Opgegraven oorlog', W&O, 16 maart). Zelfs is daar de nieuwe mythe ontstaan, dat prof.dr. Manfred Korfmann tijdens zijn opgravingen te Troje in 1993 zuidelijk van de burcht een omstreeks negenmaal grotere benedenstad zou hebben ontdekt (zie zijn bijdrage in de catalogus `Troia, Traum und Wirklichkeit').

Dit is onjuist, niet in de zin van Korfmanns tegenstander Kolb die het bestaan van die stad volstrekt ontkent, maar omdat zij meer dan een eeuw tevoren reeds door Schliemann is gevonden. Schliemann kampte aanvankelijk met de tegenstrijdigheid, dat de kleine burcht onmogelijk de door Homerus beschreven grote stad kon zijn en moest dat dus wel voor dichterlijke overdrijving houden, tot hij tijdens zijn laatste opgraving in 1882 kon vaststellen `dat er in de verre oudheid in de vlakte van Troje een grote stad lag die eerder tijdens een vreselijke catastrofe werd verwoest.' Deze stad had een Akropolis met tempels en een paar andere grote gebouwen. In de benedenstad `breidde de stad zich echter in oostelijke, zuidelijke en westelijke richting zodanig uit dat deze stad bijgevolg volkomen overeenkomt met de Homerische beschrijving van het heilige Ilios' (Troje). Zie zijn `Troja. Ergebnisse meiner neuesten Ausgrabungen', 1884, pag. 68/9, 313/4.

Te onzent heeft Jongkees die benedenstad terecht genoemd in zijn aardige boekje `Troje' (1942) pag. 83 en de Ierse Homerus-kenner Luce heeft in zijn fraaie studie `Celebrating Homer's Landscapes' (1998) pag. 90 aan Schliemann uitdrukkelijk de eer gegeven, die hem toekomt. Korfmann (t.a.p. pag. 19) schrijft: `Ihm verdanken wir viel, mehr als viele heute wahrhaben wollen oder können.' Inderdaad.