TERUG NAAR DE MIDDELEEUWEN

Een land dat serieus wil meedoen aan de wereldconcurrentie behoort topopleidingen te hebben, meent prof. F.A. van Vught, rector magnificus van de Universiteit Twente. `Studenten moeten weer over Europa uitzwermen. Terug naar de Middeleeuwen.'

Het hoger onderwijs in Nederland kan zich goed meten met dat in andere westerse landen, zoals de Verenigde Staten, Australië en Engeland, vindt prof.dr. F.A. van Vught, rector magnificus van de Universiteit Twente. Het beleid van minister van Onderwijs Hermans werkt de goede richting uit, zegt hij. ``Het is verstandig van Hermans dat hij probeert de autonomie van universiteiten te vergroten. Dat past in de internationale ontwikkelingen. We moeten reageren op de competitie op wereldschaal. We zullen echt moeten globaliseren.''

Kunnen we dat, globaliseren?

Van Vught: ``Nee, niet zonder meer. Op sombere momenten denk ik: we zijn in Europa zo druk met onszelf bezig, dat we vergeten over onze muurtjes heen te kijken. Op dit moment is in het kader van de wereldhandelsorganisatie een ongemakkelijke discussie gaande. De vraag is: Kan het hoger onderwijs liberaliseren? De Amerikanen en Australiërs zeggen van wel. Zij vinden dat je met onderwijs net zo moet omgaan als met elk ander product. Dat er op wereldschaal mag worden geconcurreerd.

``Amerikaanse en Australische universiteiten gedragen zich als grote bedrijven en gaan agressief de markt op met hun onderwijs. Ze halen studenten uit het buitenland, openen vestigingen in andere landen. Er zitten Australische universiteiten in China, Zuid-Afrika. Ze zetten netwerken op, bouwen consortia. Universitas 21 is daar een voorbeeld van. Een samenwerkingsverband van Amerikaanse, Engelse, Australische, Japanse én Chinese universiteiten.

``Ze koppelen het prestige van hun universiteiten aan het kapitaal van multinationals. Ze werken samen met Disney, of met bedrijven in informatie- en communicatietechniek. In één klap zijn ze een grote speler met een enorm bereik. Ondertussen zitten wij in Europa en Nederland naar elkaar te turen. Wij vinden nog steeds dat het hoger onderwijs een zaak is van de nationale overheid en houden het onderwijs binnen de eigen grenzen. Vooral de Oost-Europeanen zeggen: onderwijs is geen product maar een collectief goed.''

En wat vindt u? Is onderwijs een collectief goed?

``Als je heel formeel redeneert, is hoger onderwijs dat niet. Er zijn twee criteria om te bepalen of iets een collectief goed is of niet. Kun je mensen uitsluiten? En: is er sprake van rivaliteit bij consumptie? Als beide vragen met nee kunnen worden beantwoord, heb je te maken met een collectief goed.

``Nou, je kunt mensen uitsluiten van hoger onderwijs. Dat gebeurt ook. Door de hoogte van het collegeld bijvoorbeeld, of de instelling van een numerus fixus. Van de bescherming van een dijk of van straatverlichting kun je niemand uitsluiten, dat zijn collectieve goederen. Rivaliteit bestaat in het onderwijs wel degelijk. De aandacht van een hoogleraar kan voor de ene student groter zijn dan voor de ander. Een stageplaats voor de één betekent dat die niet beschikbaar is voor een ander. Kortom: hoger onderwijs is geen collectief maar een privaat goed.''

En dus mag je hoger onderwijs overlaten aan de markt?

``Nee, niet volledig. Er zijn goede redenen voor overheidsbemoeienis met hoger onderwijs. Goed onderwijs is in het belang van een land. Een land heeft een geschoolde beroepsbevolking nodig. Onderwijs stimuleert de sociale cohesie, de economische groei, het democratisch bewustzijn.

``De overheid heeft de taak individuen bij gelijke capaciteiten gelijke rechten op onderwijs te bieden. Dat is het rechtvaardigheidsprincipe in het onderwijs. Om dit soort redenen vind ik het verdedigbaar dat de overheid meebetaalt. Minister Hermans zit op dezelfde lijn: marktwerking in het onderwijs én de rol van de overheid handhaven. Je kunt de kwaliteit van het onderwijs niet alleen laten afhangen van private beslissingen van individuen. Gek genoeg zijn mensen geneigd te weinig te investeren in hun eigen onderwijs. Zeker in Nederland. Studenten hebben hier bijvoorbeeld een heel ander leengedrag dan studenten in andere landen. Ze lenen veel minder. Zij investeren minder geld in hun eigen ontwikkeling.''

Waarom lenen Nederlandse studenten zo weinig geld?

``Misschien zijn Nederlandse studenten eraan gewend geraakt dat de overheid onderwijs regelt én betaalt. Australische studenten lenen heel veel geld. Maar daar zitten leningen anders in elkaar. Ze hoeven pas terug te betalen als ze genoeg verdienen.''

Hebben universiteiten zelf genoeg geld om de markt op te gaan?

``Nee, eigenlijk niet. Amerikaanse en Engelse universiteiten hebben enorme endowment funds. Ze krijgen hele erfenissen, giften. Harvard en Stanford beschikken over een enorm privé-kapitaal, Cambridge is ook niet arm. De Nederlandse universiteiten hebben wel een fonds, maar de schaal is volstrekt onvergelijkbaar. In Nederland is het niet gebruikelijk dat bedrijven of privépersonen geld schenken aan een onderwijsinstelling. Je zou het fiscaal aantrekkelijk moeten maken voor bedrijven en particulieren om giften te doen.

``Ik zou het een goed idee vinden als de overheid een eenmalige financiële injectie doet in de universiteiten. De Amerikanen en Australiërs zullen dat niet leuk vinden, maar dat zouden we ze moeten kunnen uitleggen. Op die manier ontstaat er een internationaal level playing field. Nederlandse universiteiten kunnen zich door die injectie herstellen van de achterstand die ze hebben opgelopen en een echte internationale speler worden.''

Wat is er, behalve geld, nodig om een internationale speler te zijn?

``We moeten het Europees onderwijs aantrekkelijker maken. Als er nu een Aristoteles, Newton of Einstein zou leven, zou die niet in Europa, maar in Amerika studeren. De Verenigde Staten zijn nu de grote attractie. We moeten proberen langszij te komen. Niet door hetzelfde te doen als zij. Maar door onze eigen kracht te benadrukken. Kijk naar de Middeleeuwen. Toen had je de Wanderstudent. Jonge mensen kwamen van heinde en verre naar Bologna, Parijs en Oxford om daar universitair onderwijs te genieten. Die cultuur is helaas verdwenen. In de zestiende eeuw werden universiteiten creaties van hertogen en koningen, in de negentiende eeuw van nationale staten. Zo werden het regionale instellingen.

``We moeten terug naar de Middeleeuwen, naar de Wanderstudent. Europa heeft een geweldige culturele en historische rijkdom. Dat hebben ze niet in Amerika. We moeten ons niet blind staren op de Engelse taal, maar onze eigen talen juist uitbuiten. Spaans, Frans of Duits. Zo haal je de Denen binnen, de Zuid-Amerikanen, de Afrikanen.''

Wat is de eerste stap?

``De invoering van het bachelor-mastersysteem. Daar ben ik een warm voorstander van. Wat mij betreft wordt de doctorandustitel doodverklaard. In Hongkong en Korea kijken mensen je verbaasd aan als je je voorstelt als doctorandus. Een bachelor- of masterstitel kennen ze wel. Dát is het dominante stelsel. Het is goed dat de Europese landen in Bologna hebben afgesproken dat de kwalificaties gelijkgeschakeld gaan worden. Straks kunnen mijn kinderen in Londen hun bachelor halen. En hun mastertitel in Madrid. Dat is fantastisch.''

Minister Hermans wil dat universiteiten top-masteropleidingen gaan aanbieden. De Kamer is daar fel op tegen. Vindt u dat jammer?

``De Kamer reageert heel paniekerig. Mensen associëren topinstituten met `uitsluiting' en `selectie'. Dat is ook zo. Die topopleidingen zijn niet voor iedereen toegankelijk. Dat vinden Nederlanders hard en onaangenaam. En dus zijn ze tegen. Dat is betreurenswaardig en naïef. De natie is erbij gebaat als we topopleidingen hebben. Alleen zo kun je meedoen in de wereldcompetitie. In Engeland en Amerika lachen ze ons uit. Daar zijn ze gewend aan grotere competitie. Waarom is Harvard goed? Omdat de studenten goed zijn. Harvard koopt gewoon de beste studenten. Zo gaat het in de wereld. Als we niet meedoen, worden we weggeconcurreerd.''