Stop subsidieverslaving!

De landbouwpolitiek van `Brussel' is een bewijs van het succes én het falen van de Europese Unie. Er moet een einde komen aan de subsidie- verslaving.

De Europese Unie leest andere rijke landen graag de les over ontwikkelingssamenwerking. Tegelijkertijd zit diezelfde Europese Unie arme landen op de wereldmarkt dwars met invoerrechten. Voor suiker uit het Caraïbisch gebied is de tolmuur ruim 300 procent.

De Europese Unie vindt dat de bescherming van dieren wettelijk geregeld moet zijn. Tegelijkertijd moedigt diezelfde Europese Unie aan de hele stal te `ruimen' als er ook maar één koe mond- en klauwzeer heeft. Daarom zijn in Nederland vorig jaar 270.000 beesten vervroegd afgemaakt.

De Europese Unie is in beginsel tegen staatssteun aan noodlijdende sectoren. Tegelijkertijd subsidieert diezelfde Europese Unie de afzet van Europese landbouwoverschotten. Zo verstoort de dumping van goedkope melkpoeder of vlees de concurrentie op de wereldmarkt.

Het zijn maar drie voorbeelden van ongerijmdheden uit het fascinerende labyrint van de Europese landbouwpolitiek. Dit jaar gaat daar zo'n 46 miljard euro (inclusief plattelandsontwikkeling) in om, bijna de helft van het totale budget van de Europese Unie, voor de 2,7 miljoen boeren die er nog over zijn. Ze zijn de pionnen in de laatste reëel bestaande planeconomie van Europa, zoals het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na de val van de Berlijnse Muur wel is genoemd. Jaarlijks kost dit regime de gemiddelde Europeaan 300 euro extra aan belastingen (100 euro) en onnodig hoge voedselprijzen (200 euro).

Met deze politiek is onlosmakelijk de naam van de Nederlandse sociaal-democraat Sicco Mansholt verbonden. Als minister en daarna als Europees Commissaris legde hij de basis voor modernisering en rationalisering van de naoorlogse landbouw in West-Europa. `Schaalvergroting' was het parool; landbouwpolitiek werd de motor van Europese integratie.

Drie zaken stonden in het plan-Mansholt (1968) voorop: Europa moest onafhankelijk worden van voedselimport, de boeren moesten verzekerd zijn van een redelijk inkomen, en de bevolking moest worden behoed voor heftige schommelingen in de voedselprijzen. De clou zat hem in de gegarandeerde afzet bij een relatief hoog prijspeil. De wijze waarop de boeren aan de slag gingen kreeg nauwelijks aandacht.

Het werd een daverend succes, al zal niet elke weggesaneerde boer dat beamen. In minder dan een generatie werd twee tot drie keer méér geproduceerd, met twee tot drie keer mínder mensen en op een beduidend kleiner areaal. Ondertussen werd geleidelijk een stelsel van garatieprijzen, opkoopregelingen, inkomenssteun, importheffingen en exportsubsidies opgetrokken, waarmee Europa de eigen binnenmarkt afschermde en Europese boeren de wereldmarkt konden veroveren. ,,Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is samenwerking op zijn best'', concludeerde voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie in 1986.

De keerzijde was dat het ook een regelrechte uitnodiging was tot (gesubsidieerde) overproductie. Boterbergen, melkplassen, vleesoverschotten, dierenleed en milieuproblemen noopten Brussel dan ook keer op keer tot aanpassingen. Daardoor is het zwaartepunt geleidelijk verschoven van markt- en prijssteun naar (directe) inkomenssteun. Opmerkelijk was, zo ontdekte bestuurskundige Tjeerd de Groot in zijn promotieonderzoek, dat het budget door die bijstellingen niet kleiner, maar juist groter werd. Europese landbouwpolitiek bleek een positieve-som-spel: in ruil voor hervormingen betaalden de lidstaten meer geld aan `Brussel', dat daarmee zijn reikwijdte vergrootte.

De Groot ontdekte nog iets: bij elke nieuwe `hervorming' (in de jaren '80 en '90 in totaal vijf keer) waren minder concessies nodig om verandering te bewerkstelligen. Als die tendens doorzet, wordt het gemakkelijker de problemen op te lossen waarmee de boeren in toenemende mate kampen: kieskeurige consumenten, tegenstribbelende dieren, protesterende handelspartners en een zuchtend milieu. Vooral de veeteelt is door plagen als salmonella, dioxine, mond- en klauwzeer, varkenspest en gekkekoeienziekte bijna in een permanente staat van crisis beland.

Daar komt nog iets bij. De Europese Unie groeit: vanaf 2004 komen er twaalf landen bij, vooral in Midden- en Oost-Europa. Dat betekent niet alleen dat er ruim 100 miljoen consumenten op de interne EU-markt bijkomen (nu 370 miljoen), maar ook dat er 60 miljoen hectare landbouwareaal bijkomt (nu 140 miljoen). De agrarische werkgelegenheid zal meer dan verdubbelen, want werkt in de huidige EU nog maar vijf procent van de beroepsbevolking in de landbouw, in sommige kandidaat-landen, zoals Polen, is dat meer dan een kwart.

Na toetreding wensen de kandidaat-lidstaten natuurlijk geen tweederangsbehandeling door Brussel. Maar ongewijzigd beleid wordt de huidige EU-vijftien veel te duur. Bovendien is het ongewenst, beklemtoonde Landbouwcommissaris Franz Fischler deze week nog, omdat `gelijke behandeling' desastreus zou uitwerken. Het inkomen van de Oost-Europese boeren zou in een klap meer dan verdubbelen. Dat zou uitdraaien op een ernstige verstoring van de sociale verhoudingen, en ook de herstructurering van de agrarische sector in de nieuwe EU-landen eerder belemmeren dan bevorderen.

Nederland is een van de landen die zich sterk maken om de EU-uitbreiding aan te grijpen als hefboom voor een ingrijpende hervorming van de Europese landbouwpolitiek. Oppositie is er vooral van de zuidelijke lidstaten, die relatief het meeste profijt hebben van het huidige subsidieregime, dat in elk geval tot 2006 loopt.

Los van de maatschappelijke en financiële overwegingen is er nog een derde goede reden de Europese landbouwpolitiek te herijken. En die heeft te maken met de voortschrijdende liberalisatie van de wereldhandel, waar de Europese Unie voorstander van is. Ze onderhandelt in de Wereldhandelsorganisatie WTO over verlaging van tolmuren, exportsubsidies en andere vormen van bedrijfssteun die de concurrentie vervalst. In dit overleg groeit de internationale druk, niet alleen op de Europese Unie, om ook landbouwsteun te versoberen.

Medio dit jaar wil de Europese Commissie voorstellen doen voor nieuwe aanpassingen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Dankzij de stortvloed aan deelstudies en rapporten na de recente crises valt een vrij nauwkeurig beeld te schetsen van de kant die het zal opgaan. Want of het nu de Agrarwende betreft van de Duitse Landbouwminister Renate Künast, de radicale aanbevelingen van de Britse commissie-Curry, of de fundamentele heroriëntatie van de Nederlandse denkgroep-Wijffels, ze wijzen allemaal in dezelfde richting: beëindig de subsidieverslaving en bevorder een rendabele landbouw die wordt gerespecteerd door het publiek en die dier en milieu beschermt.

Voor dit artikel is onder meer gebruikgemaakt van `Waarheen met de Europese landbouw?' van J. Kol (in: Internationale Spectator, sept. 2001), `Staat van de Europese Unie' van de regering-Kok (sept. 2001) en `Dertien is een boerendozijn' van Tj. de Groot (Delft, 1997).