Column

Pianohooligan

Al een tijdje heb ik een abonnementje op de serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw en ik beleef daar bijna altijd heerlijke avonden. Bijna jaloers kijk ik vanaf het balkon naar de grote vleugel met daarachter de solist, die door zijn spel zo'n heel gebouw laat snorren van genot. Dat iemand dat kan: helemaal alleen, zonder bladmuziek, gewoon uit het blote, overvolle hoofd de mooiste Chopins, Schumanns en Beethovens laten klinken! Ik vind dat magisch en het vervult mij met een bodemloos respect. Alfred Brendel is al dertig jaar mijn absolute held.

Ik ben een slecht concertganger. Ik zit niet stil, erger nog: ik beweeg mee. Mijn vrouw schaamt zich rood als ze naast me zit en mijn dochter meldt in de pauze altijd zo hard mogelijk dat ze mij niet kent en er niet bij hoort. En ik kan er niks aan doen. Als ik iets mooi vind dan ga ik meebewegen. Hoe dat gebeurt, weet ik niet precies, maar het schijnt te gebeuren. Tijdje geleden vroeg een terecht zeer geïrriteerde mevrouw, die op de stoel voor mij had gezeten, na afloop van een van de concerten of ik er voortaan mee op wilde houden. Ze vond het verschrikkelijk en had door mij een vreselijk concert gehad. Ik heb mijn excuses gestameld. Ze had gelijk. Ik ben een pianohooligan, alleen ben ik het mezelf niet bewust. Als ik haar adres had gehad, dan had ik haar als zoenoffer een enorme struik bloemen gestuurd of een mooie fles champagne of allebei. Juist ik, die vindt dat elke hufter, van wie tijdens een recital of concert zijn mobiele telefoon afgaat, een Concertgebouwverbod van minimaal drie jaar moet krijgen, moet me schamen voor mijn puberaal meebewegen.

Ik ben niet alleen een pianohooligan, maar ook een museumextremist. Onlangs werd ik in Rome bijna verwijderd omdat ik veel te raar en hard over het parket stampte. Twee suppoosten werden ingezet om mij te verzoeken de tent te verlaten. Waarom ik dat deed? `Gewoon enthousiast', was niet het goede antwoord. Maar dat was wel de reden. Na veel en lang praten (mijn Italiaans is ronduit belabberd!) werd ik een gedoogbezoeker en begeleid door een peloton ME heb ik de expositie mogen afmaken. Op mijn tenen uiteraard.

Het was maar goed dat die mevrouw er afgelopen zondag niet bij was, want toen heb ik me domweg misdragen. Ik was al gewaarschuwd dat de avond voor twee pianisten, in dit geval Enrico Pace en Igor Roma, zeer bijzonder zou worden. In mijn periferie zwerft een echte kenner. Hij had me al gewaarschuwd dat het wel eens prachtig zou kunnen worden. Ruim op tijd namen wij plaats in een bomvol Concertgebouw. Zelfs voor het orgel waren er stoelen gezet. De sfeer was prettig geladen. Mooie opgewonden spanning hing er.

Wat er daarna gebeurde kan ik niet meer omschrijven. Het was werkelijk fantastisch en werd een van de mooiste avonden die ik ooit in het Concertgebouw beleefd heb. En ik heb daar in de loop der jaren best wel wat kilometers liggen.

De volgende dag las ik in diverse recensies allerhande vaktermen, die ik niet meteen begreep omdat ik een muzikaal onbenul ben, maar ook alle recensenten waren unaniem lyrisch. De zaal gloeide bij Brahms, dartelde bij Bartók en bij de `Tweede suite voor twee piano's' van Rachmaninoff ontplofte het publiek bijna van waardering. Ik was dronken en stoned tegelijk. Ik heb veel mooie dingen gezien en gehoord, maar dit is zeker een van mijn mooiste avonden ooit. Je kijkt naar de een en denkt: dit is fysiek onmogelijk wat hij doet. Dat zie je ook bij de ander. Dan klinkt het ook nog eens fantastisch. Hoe die twee piano's zich mengden was absoluut hemels. Ik heb er de hele week nog last van.

Ik ben bang dat ik me als een beest gedragen heb. Zat uitsluitend op het puntje van mijn stoel te zuchten van aanstormende gekte. Ik bied dan ook via de krant mijn excuses aan voor mijn gedrag. En zeker aan die aardige mevrouw schuin voor me, die trouwens zelf ook zat te swingen. Wie dat was? De koningin.