Nieuwe nostalgie

Ze vergissen zich, de politici die zeggen dat Pim Fortuyn is `gemaakt' door de media. Er is veel meer aan de hand. Nederland vraagt om vooruitgang én herstel, en Fortuyn belooft het. Zijn toekomst: `Internetten op een zonovergoten, rustig dorpsplein.'

Begin februari onthoofdde Pim Fortuyn zich als lijsttrekker van Leefbaar Nederland door in de Volkskrant te zeggen dat hij artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting) prefereerde boven artikel 1 (discriminatie niet toegestaan). Een week later schreef Peter Giesen in dezelfde krant: ,,De aftocht van Pim Fortuyn was geheel in stijl. De man die gemaakt was door de media, werd ook weer door een medium, in dit geval de Volkskrant, gebroken.'' Premier Kok deed Fortuyn vervolgens af als `een mediahype'. Drie weken later stemde meer dan eenderde van de Rotterdamse kiezers op Pim Fortuyn.

De beste journalisten, commentatoren en columnisten deden, voor én na 11 februari, hun best om Fortuyn te negeren of louter badinerend over hem te schrijven, zoals NRC Handelsblad. Politiek redacteur Raymond van den Boo- gaard wees bijvoorbeeld op het feit dat Fortuyn kennelijk ,,iets heeft met poep''. Andere journalisten probeerden hem, net als linkse politici, te demoniseren. Hij was `een minderwaardig mens', een `Mussolini', een soort Miloševic, `gedreven door machtswellust'. Ook nóg sterkere verwijzingen, naar Hitler zelf, ontbraken niet. Nuchterder waarnemers deden hem af als een efemeer verschijnsel: `een kwibus', `een kale relnicht', `een boer Koekoek in pinstripe' of een `Ross Perot': over een paar jaar `een meelijwekkende buitenstaander'.

Bovenstaande bewijst twee dingen: de overschatting van de macht van de media en de onderschatting van de driving force van Fortuyn én de groeiende kiezersschare achter hem. We mogen in een mediamaatschappij leven, en de media mogen meer dan ooit te voren belust zijn op het versterken van emoties, de media vormen niet the heart of the matter. De kracht van Fortuyn ligt in het dubbele aanbod dat hij doet: met hyperinvidualisme, internet en interim-management vooruit, over de barrières van bureaucratie naar de toekomst, en tegelijkertijd terúg naar de kleinschalige geborgenheid van de jaren vijftig. Modernisering plus nostalgie.

Het fortuynisme is goed te typeren met `reactionair modernisme', al is dit een sterk beladen term. De historicus Jeffrey Herf muntte deze term namelijk om de januskop van de nazi-periode te omschrijven. Grote economische en technologische vooruitgang ging toen gepaard met de sociaal- en cultureel-reactionaire wensdroom terug te keren naar het verleden, de Middeleeuwen liefst. Weg uit de anonieme, vernederde, bureaucratische maatschappij, terug naar de organische, heroïsche en hiërarchische gemeenschap. Sommigen, zoals Thomas Mann, zagen destijds al scherp hoe dubbel het beeld was dat de nazi's uitstraalden: ,,Juist dit was het karakteristieke en bedreigende: de menging van robuuste eigentijdsheid, prestatiegerichte vooruitstrevendheid en de droom van het verleden, de hoogtechnologische romantiek.''

Deze term `reactionair modernisme' wordt hier niét gebruikt als goedkope associatie, maar om duidelijk te maken hoe fundamenteel anders Fortuyn is dan de komeet-partijen in het verleden. De Boerenpartij was een conservatieve partij, D66 een pragmatisch-progressieve partij, de Ouderenpartij een belangenpartij, en Provo (`Stem Provo, keje lachen') miste elk gevoel voor ernst of missie, waar Fortuyn zo'n grote dosis van bezit. Met zijn dubbele boodschap – vooruit én terug – vertolkt Fortuyn een mentale grondstroom van aanvaarding van het harde, moderne en snelle leven en tegelijk een enorme behoefte aan duidelijkheid, orde en veiligheid: internettend op het zonovergoten, rustige dorpsplein.

Nostalgie en woede over de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkelingen, niet de media, vormen de ijzersterke combinatie die Fortuyn zo groot hebben gemaakt. `Revolutie voorbij aan Amsterdam', kopte Het Parool op 7 maart. Bewaar die krant, het wordt een collector's item.

Wat zijn die ontwikkelingen die nu zo hard op elkaar botsen? Een paar sleutelzinnen moeten hier volstaan. Voltooide emancipatie en een record aantal stress-ouders en echtscheidingen. Eindeloze mobiliteit en recordlengtes stilstaande of langzaam rijdende files. Eindeloze vrijheid om zelf te reizen, en een eindeloze immigratie die hier het gevoel van claustrofobie alleen maar bevordert. Eindeloze beklemtoning van de noodzaak tot efficiëncy, creativiteit en eigen verantwoordelijkheid, en een almaar toenemende bureaucratisering bij overheid, bedrijven en instellingen. Ofwel: steeds meer gelijkheid, steeds meer strijd, steeds meer vrijheid, steeds meer regels en anonimiteit.

De periode van de val van de Muur tot de Elfde September kunnen we typeren als het Twaalfjarig Bestand van vrijheid, welvaart, verveling én groeiende frustratie. Die frustratie voedde de nostalgie, die roos die bloeit op het graf van verloren illusies. Maar Fortuyns bloemrijke taal en dito uitdossing suggereren een venijnig-vrolijke, zelfbewuste uitweg uit de impasse, op naar een mooie toekomst. De voedingsbodem is evenwel doordesemd met angst en wrok.

Veiligheid werd in de jaren negentig hét thema dat die nostalgie sterker en sterker maakte en die nu is uitgemond in Fortuyns utopisch pleidooi om de slagbomen weer neer te laten bij de grens en er een douanier met een pet op voor te zetten. Maar deze nostalgische droom is gevoed door allerlei mensen die op 6 maart waarschijnlijk niet op Fortuyn hebben gestemd. De feministen die eind jaren tachtig de eerste stille tocht organiseerden in Groningen voor een vrouw die verkracht en vermoord werd door een vrijgelaten tbs'er. De goedwillende mensen die in al die stille tochten bijeen kwamen uit solidariteit en empathie, maar ook met de droom dat het op straat weer zo veilig kan worden als in de tijd dat je je fiets nog niet op slot hoefde te zetten.

Het gevoel door de overheid verlaten te zijn op het gebied van veiligheid, is vanaf Srebrenica in 1995 telkens weer bevestigd: Tjoelker (Kok: ,,Ik sta hier met lege handen''), Oosterpark-rellen (Rapport: ,,De veiligheidsrisico's van de politieambtenaren zijn hoger ingeschat dan de veiligheidsrisico's van de burgers''), Gorcum (Korthals: ,,Het is aan de samenleving en niet aan de overheid om de veiligheid op straat te garanderen''). Angst voor de eigen fysieke veiligheid is de sterkste emotie die de mens kent. Geen wonder dus dat nu vooral op dat punt de woede en de nostalgie zulke bizarre vormen hebben aangenomen. En de kreten over oorzaken en oplossingen net zo krachtig en primair zijn: `kut-Marokkanen', `meer blauw', `deporteren'. De ultieme oplossing, de doodstraf, wordt door de meerderheid van het volk gesteund, door de media en de `weldenkende elite' weggehoond.

,,Goeienavond, dood door protest tegen breedbeeld-televisie.'' Zo opende Philip Freriks vorige week het Journaal, half ongelovig, half ironisch, over de verwarde man die honderden mensen had gegijzeld in de Rembrandtoren, de Amsterdamse Twin Towers. Van ironie zou geen sprake zijn geweest, en het woord doodstraf zou wél hebben geklonken als de man niet zichzelf maar tien, twintig of honderd gegijzelden had doodgeschoten. Wait and see.

In een grenzeloze wereld liggen vrijheid en terreur, geluk en paniek heel dicht bij elkaar. Het is de ideologie van grenzeloze economische groei, grenzeloze deregulering, grenzeloze immigratie en grenzeloze persoonlijke vrijheid die met een knal tegen de wal is gevaren. Want het was een wereld zonder alternatief, geheel conform de stelling van Francis Fukuyama uit 1989 over `het einde van de geschiedenis'. Deze fantasieloze wereld van `het kan niet anders' maakte van de politiek een gebedsmolen zonder eind met als refrein de woorden: `beleid', `complex' en `geduld'.

Deze woorden staan haaks op de menselijke behoefte aan minimale rust en veiligheid, maar helemaal haaks op de moderne mediamaatschappij. Zeker sinds de komst van internet vanaf 1995. De droom dat internet de weggevallen sociale banden zou opvangen met `virtuele gemeenschappen' is niet uitgekomen. Mensen chatten en sms-en vooral meer met bekenden, of sturen heftige meningen naar phone-in-programma's als Standpunt.nl. De snelheid waarmee we nu informatie vergaren, reserveringen boeken en onze meningen uiten, heeft het ongeduld alleen maar versterkt. En ongeduld was door de afstandsbediening toch al een kenmerk geworden van het nieuwe mediatijdperk dat eveneens in 1989 begon: met het wegvallen van `de muur om Hilversum' en de komst van de schaamteloze, commerciële televisie.

De dwang tot succes en genot en de versterking van het ongeduld hebben de maatschappij een manisch-depressief karakter gegeven. Kick vandaag, prozac morgen. Gejuich, rouw en woede én sentimentaliteit wisselden elkaar in een steeds hoger tempo af. Sporttoppers, stille tochten, rages en hypes. De media, in dodelijke concurrentie met elkaar, hebben sinds 1989 de pieken en dalen in deze steeds vaker en heftiger uitslaande grafiek van het nationale gemoed enorm vergroot. En hier ligt de grote onderschatting van Fortuyn. Hij belichaamt behalve de linkse stelling `al het persoonlijke is politiek' ook de manisch-depressieve samenleving, want hij leed zelf aan `bipolaire karakterstoornis'. In Babyboomers beschrijft hij hoe hij, eind jaren zeventig, versuft in een volstrekt verduisterde kamer lag en eindeloos de Tweede van Mahler draaide. En vervolgens in psychoanalyse ging. ,,Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Maar altijd de moeite waard. Dat gold vóór de analyse, in versterkte mate geldt dat ook ná de analyse.'' Mahler, Fortuyn, pure emotie, pure romantiek.

De meeste media hebben op een merkwaardige wijze bijgedragen aan de emotionalisering van de samenleving, en dus de creatie van Fortuyn. Sommige kwaliteitsmedia, Den Haag Vandaag bijvoorbeeld, werden onderdeel van het mediapolitieke complex met `Den Haag' als midddelpunt, en vergrootten daarmee bij de zwijgende meerderheid de woede over het uitblijven van instantoplossingen. Andere kwaliteitsmedia reduceerden zichzelf tot platform waarop allerhande zaakwaarnemers en goedgebekte Nederlanders met elkaar konden debatteren, met de presentatoren als neutrale `moderator' (Rondom Tien, Het Lagerhuis). In de overtuiging dat de burger een rationele en mondige mens is, lieten zij de conclusie geheel aan de kijkers/lezers over. Een beetje zoals de man die de weg vroeg en het advies kreeg: `Als je bij de T-splitsing komt, neem die dan'.

In deze wereld van het teveel, in deze wereld van voor elk wat wils, werd de mediameningenfabriek net zo onduidelijk. Het resultaat was compassion fatigue met het leed ver weg. Of, in de wanhopige poging een einde te maken aan het geweld en aan al dat conclusieloze gepraat, het kiezen voor de simpelste oplossing om er een einde aan te maken.

De Elfde September heeft deze behoefte aan simpele oplossingen en terugkeer naar het geborgen, veilige gisteren – met behoud van de hoogtechnologische verworvenheden van vandaag en morgen – ook in Nederland manifest gemaakt. Vanaf die datum was de opmars van Fortuyn onweerstaanbaar. Hij be-

lichaamt de ultieme moderniteit van emancipatie, materieel succes en emotioneel exhibitionisme, en wint daarmee de jongeren. Maar ook tilt hij als eerste de nostalgie naar politiek niveau, en boort daarmee een ongekend groot potentieel aan.

Dat de serieuze journalistiek de politieke potentie van die nostalgie niet heeft gezien, is een jammerlijk feit. Want de voorbeelden lagen voor het oprapen. In het Amerika dat we zo graag wilden inhalen (zonder de schaduwzijden dan, de grootste illusie) werd Ronald Reagan in 1980 president op de golven van nostalgie en ontgoocheling over Vietnam en Carter. In Engeland was Margaret Thatcher al aan de macht met haar hang naar de middenstand en de tijd dat `de pond nog een pond was'. Dezelfde tijd dus dat hier Dries van Agt werd weggelachen met zijn Ethisch Réveil. Intussen is in bijna alle landen de politieke nostalgie al langs geweest, alleen Nederland nog niet. Tot nu.

Een charismatisch, revolutionair leider wordt geboren uit de mix van gekwelde, gedreven persoon en behoeftige tijdgeest. Waar nostalgicus Van Agt mislukte, waar `Macher' Lubbers faalde (`Nederland is ziek', `kampementen'), combineert Fortuyn beide, net als Reagan: terug naar de tijd van de God en saloon, en húp in één keer alle stakende verkeersleiders ontslaan. Nostalgisch en bikkelhard. Fortuyn is Van Agt en Lubbers in één persoon.

Opmerkelijk genoeg is de nostalgie waarop Fortuyn voortborduurt progressief begonnen. De hippies die voorwaarts terugwilden naar de niet meer bestaande natuur – joint én synthesizermuziek. De aanhangers van Den Uyl die in bruin corduroy voorwaarts-terug rondliepen uit solidariteit met de niet meer bestaande arbeiders. De identiteitsbewegingen zoals feministen en zwarten die op zoek waren naar een verloren, `vaste' gemeenschap. De nostalgie heeft zich pas het afgelopen decennium verbreid over alle groepen van de bevolking, en dat is logisch. Nostalgie is een menselijke reflex tegen de dynamische ontevredenheid die het moderne kapitalisme eigen is.

Met de dubbele droom van voorwaarts libertijns hedonisme en radicale bestuurlijke modernisering én de terugkeer naar de wereld van de dienstplicht, de bakker en de slager die tevens raadslid zijn bedient Pim Fortuyn dus zowel de progressief als de reactionair. Alleen de conservatieven niet: de gevestigde partijen en de gevestigde media die zich in grote meerderheid nog steeds `links' noemen. Ideologisch is regentesk links een holle boom geworden: met één welgemikte trap omver te kegelen. Dat is wat Fortuyn heeft gedaan, en daarom is hij ook de held van vele jongeren. Ze worden `geil' van iemand die bestaande barrières op wil ruimen, de waarheid zegt en elke bestaande logica tot in zijn logische eindpunt doortrekt. Plus ultra!

Fortuyn mag een Ross Perot zijn en het uiteindelijk afleggen tegen iemand die nog in de coulissen staat. Dat overkomt revolutionairen wel vaker. Misschien wordt het een progressief die én economische modernisering én koesterende, nostalgische warmte aanbiedt zoals Bill (`I feel your pain') Clinton. Waarschijnlijk is dat niet, al heeft Fortuyn voor de zekerheid toch maar het woord `zorgzaam' in zijn verkiezingsprogram opgenomen. De verkiezing van brekebeen en verbale stuntel George Bush jr in 2000 maakte al duidelijk dat de politieke grondstroom van nostalgie en woede, en niet de media of het mediagenieke karakter van de kandidaat, momenteel doorslaggevend is. Emoties, meer dan argumenten over `lastig dossier' zussemezo, geven de doorslag.

Volgens Fortuyns recente bestseller accepteren PvdA en VVD geen enkele verantwoordelijkheid voor de puinhopen van Paars, `die als een soort natuurgebeuren de burger treffen in zijn bestaan'. Hij zet er een natuurgebeuren tegenover, zichzelf. Emotie drijft de mens, zeker de charismaticus à la Fortuyn, met zijn gewelde bezieling, ongelooflijke lef en dito bek. Maar hij zou nergens zijn zonder emotionele burgers die hem in al het breekbare, eenzame, overmoedige en woedende herkennen dat ze in zichzelf meedragen. Ze roepen nu `Hosannah!' tegen de messias die zich niet, als Gulliver, met touwtjes als `kaders' en 'randvoorwaarden' aan de grond laat snoeren. Ze weten dat het hoog spel is, dat weet Fortuyn ook.

Misschien haalt hij glorieus het laatste lijsttrekkersdebat eind april in Henny Huisman's Soundmixshow – u leest het goed, elke dag een noviteit, elke dag `keje lachen'. Misschien roept de aanhang morgen al `Kruisigt hem!' Misschien vervalt ie voor die tijd al in een zware depressie. Maar ik zou er niet op rekenen als ik Paars was.

De schrijver is auteur van het boek `Publieke Tranen. De drijfveren van de emotiecultuur' (Contact, 2002) en hoogleraar maartschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.