Niet thuis in Rio

Correspondent Marjon van Royen leeft in Rio met zeven katten en reist door Zuid-Amerika, waar men dat van die katten niet altijd begrijpt.

,,Ben je getrouwd?'', luidt hier steevast de vraag. Hij is natuurlijk bedoeld om het terrein af te tasten, maar is tevens een teken van vriendelijke betrokkenheid. ,,Zelfs geen kinderen? Ben je hier helemaal alleen dan?'', informeerde alweer de tiende taxichauffeur sinds mijn aankomst in Brazilië. ,,Nee hoor'', zei ik in mijn vers geleerde Portugees. ,,Ik heb sete gatos, zeven katten.'' De man keek al net zo vreemd als zijn voorgangers. ,,Zeven?'', vroeg ook hij. Ik weet, het is veel. Maar waarom toch al die opwinding over mijn katten? ,,En je slaapt met allemaal?'', vroeg hij ongelovig. Ik knikte. ,,Elk nacht van de week een andere gato, dus'', concludeerde hij knipogend. ,,Nee hoor'', zei ik. ,,Elke nacht allemaal tegelijk.'' De man zette grote ogen op. Daarna klemde hij zijn handen om het stuur en zei de hele rit niets meer.

Een paar weken later ontdekte ik dat gato in Brazilië `potente kerel' betekent. Taal kan soms tot grote verwarring leiden. Mannen of katten. Apen of vrouwen. Zo betekent mono volgens het Spaanse woordenboek `aap'. Jarenlang dacht ik in Colombia dat ze me `aap' noemden. Totdat een meneer me uitlegde dat mona in Colombia `blondje' betekent. Zoveel verschillen, zoveel verrassingen. In elk land moet je de juiste termen kennen.

,,Waar ben ik?'' Zoals altijd als ik op reportage ben, trekt de wekker sluiers van onzekerheid. Ben ik in Bogotá, of in Buenos Aires? In Lima misschien? Die vervloekte hotelkamers ook. Ik doe mijn ogen open en begin mezelf te lokaliseren. Nee, dit is Venezuela. Hier vloek je coño in plaats van caramba. En `Miraflores' is geen stadswijk zoals in Lima, maar de naam van het presidentiële paleis. Gisteren heb ik er nog een fax naartoe gestuurd. Of ik een dagje met de president op stap mag. De juiste termen. Daar gaat het om: `Uw unieke revolutionaire proces', schreef ik. En `Grote interesse van het Nederlandse broedervolk'.

Twee dagen later sta ik oog in oog met de president van Venezuela. Ik mag mee naar zijn wekelijkse radio- en televisieprogramma. Een show waarin hij directe vragen beantwoordt van zijn `heroïsche revolutionaire volk'. Met militaire marsmuziek komt president Hugo Chávez binnengelopen. Ik probeer de voormalige paratrooper met zijn stoet te ontwijken en duik weg achter een paal. Maar Chávez ziet me. Hij verandert van richting, en grijpt mijn arm. ,,Jij komt uit Holland, niet'', zegt hij. ,,Ben jij ook bang voor mij, dat je jezelf zo probeert te verstoppen?'' Ik lach van nee. ,,Kijk'', zegt de president tegen de aanstormende cameramensen. Hij legt een arm om mijn schouder. ,,Hier is een vertegenwoordigster van het Nederlandse volk die niet bang is voor de waarheid over onze revolutie.'' Daarop richt de president zich weer tot mij: ,,Ben je getrouwd?'' Ik sta versteld. ,,Zoiets vraag je niet in het openbaar aan een dame'', zeg ik. Maar de voormalige couppleger is gehaaid. Joviaal slaat hij op mijn rug. ,,Aha, geen man dus. En kinderen?'' Nu lukt het niet meer mijn hersens erbij te houden met al die camera's op me gericht. Voor ik het weet is het eruit: ,,Nee, maar wel zeven gatos.''

Het bloed klopt in mijn hoofd. Verdomme, daar gá ik voor het oog van heel Venuezela! Pas als Chávez heeft plaatsgenomen achter de microfoon bedenk ik: gato betekent hier in Venezuela gewoon `poes'.