Journalist moet eigen isolement doorbreken

Achter alle opwinding en drukte van journalisten schuilt vaak een verbluffende onverschilligheid, vindt Theo van Stegeren. Journalisten moeten nieuwe vormen bedenken om burgers en politiek tot elkaar te brengen.

Al decennialang stemmen journalisten massaal op linkse of centrum-linkse partijen, ook als de rest van de bevolking haar heil aan de rechterkant zoekt. Die voorkeur voor links is geen toeval. Typische elementen in het beroep van de journalist `onthullen', `wantrouwen jegens autoriteiten', `vrijheid van meningsuiting' maken de keus voor een progressieve partij tot een voor de hand liggende.

Argwanende geesten weten wel raad met dit gegeven. Ze beschuldigen de pers van partijdigheid of, zoals Jan Nagel onlangs deed, van complotvorming. Progressieve politici en journalisten zouden kongsies vormen. Samenscholend in wandelgang, café of denktank zouden ze de agenda van het publieke debat bepalen of de val van rechts beramen.

Het geval wil dat zulke bondgenootschappen sinds het eind van de verzuiling niet meer bestaan. Recent onderzoek van Ph. van Praag en K. Brants wijst uit dat professionele journalisten hun partijvoorkeuren vergeten als ze aan het werk zijn. Bij de afweging wat nieuws is en wat niet, letten ze op andere dingen: beschikken partijen of politici over macht? Komen ze met iets nieuws op de proppen? Of een steeds gewilder criterium hebben ze een helder verhaal?

Tot zover de geruststellende kant van de zaak. Het verontrustende is dat journalisten zich wel door progressieve vooringenomenheden laten leiden. Ik heb het niet over de dictatuur van politieke correctheid, zoals de Amerikaanse journalist Bernard Goldberg die met veel gevoel voor overdrijving in zijn bestseller `Bias' schildert. Media houden taboes in stand, maar breken ze ook af, zoals het debat in deze krant over de multiculturele samenleving bewijst.

Maar dat journalisten bepaalde onderwerpen te lang voor onbespreekbaar verslijten, staat wel vast. Toen het jaren geleden aan elke Nederlandse borreltafel gonsde van verontwaardiging over het misbruik van sociale voorzieningen, keek de journalistiek de andere kant uit. Schrijven over de fraude van de kleine man, dat hoorde niet. Dat speelde de VVD maar in de kaart, werkte stigmatiserend, zou een klopjacht op uitkeringstrekkers ontketenen.

Toen hele stadswijken onder de terreur van Marokkaanse jongens zuchtten, weigerde de journalistiek dat fenomeen in ronde bewoordingen te benoemen. Ook dat zou discriminatiebevorderend werken. En nu het overleg over de WAO voor de zoveelste maal strandt, zal de pers de schuld overal blijven zoeken, behalve bij de mensen die zich met te veel gemak als arbeidsongeschikte laten registreren.

Zulke taboes zijn gevaarlijk omdat ze bij voorbaat de angel uit de politieke berichtgeving halen. Politici kunnen zich achter nietszeggende frases verschuilen, worden niet aangesproken op hun morele leiderschap. Bovendien vervreemden ze het grote publiek van de media; het betreft hier tenslotte onderwerpen waarover miljoenen niet-stemmers en Fortuyn-kiezers zich opwinden.

De belangrijkste oorzaak van vooringenomenheid bij journalisten schuilt echter niet in hun politieke correctheid maar in hun maatschappelijke positie. Ze leven en werken in enclaves waar veiligheid en gezondheid domineren, waar in genuanceerde termen gediscussieerd wordt en een gang naar de stembus nog vanzelfsprekend is.

Op papier weten verslaggevers redelijk goed wat er in hun samenleving speelt. Toen J. Vis en andere onderzoekers de parlementaire pers een paar jaar geleden om een lijstje met `knellende problemen' vroegen, plaatste iedere journalist de asielzoekersproblematiek, de (wachtlijsten in de) gezondheidszorg en de sociale zekerheid op de bovenste plaatsen, ongeacht de partij waarop men stemde.

Het thema `criminaliteit' werd ondergewaardeerd. Men zette het onderaan de lijstjes, en dat zou een meerderheid van landgenoten beslist anders hebben gedaan. Maar wat belangrijker was: de lijstjes bleken niets te zeggen over de agenda en dagelijkse werkzaamheden van de verslaggevers. Voorzover ze ergens extra aandacht aan schonken, was het aan actuele zaken als de Bijlmer-enquête, de varkenspest, de begrotingsbehandeling en vooral natuurlijk aan de wederwaardigheden van politieke kopstukken.

De onderzoekers signaleerden ook een gebrek aan kennis van zaken: van de honderd journalisten die de asielproblematiek op hun lijstje met brandende kwesties hadden staan, kon slechts een kwart de twee belangrijkste landen noemen waar asielzoekers vandaan komen (Afghanistan en Irak).

Dit wijst op een halfbakken maatschappelijke betrokkenheid, en tot op zekere hoogte is die er altijd geweest. Traditioneel komen de meeste journalisten uit middle-class gezinnen, waar genoeg te eten is en het kroost tot brave, geletterde burgers wordt opgevoed. De laatste dertig jaar zijn de upgrading en maatschappelijke afzondering verder toegenomen. Journalisten zijn gaan doorleren, eerst in het hoger beroepsonderwijs, later aan de universiteit. De inkomens zijn fors opgetrokken: een ervaren redacteur verdient nu veertigduizend euro per jaar. Men is in wijken met koopwoningen terechtgekomen, waar de kinderen op straat kunnen spelen en de dominante huidskleur blank is. Dat laatste geldt overigens ook voor de redactie, waar nauwelijks allochtonen werken.

Ook de bedrijven waarvoor journalisten werken, hebben de samenleving fysiek de rug toegekeerd. De meeste krantenkantoren zijn van het stadscentrum naar een industrieterrein verplaatst, de omroepen hebben van begin af aan voor het Gooi gekozen.

Het publiek voelt feilloos aan waar het bij redacties aan schort. Een Haarlemse lezer klaagde vorige week zaterdag in deze krant: ,,Journalisten, publicisten en andere mediaspecialisten schrijven hun stukjes om de stukjes, absoluut zijn ze niet gedreven om veranderingen op ethisch en politiek gebied door te drijven. De onverschilligheid bij politici viert evenzeer hoogtij bij de media, waar oppervlakkigheid is verheven tot nieuwe `kunst' ''.

En een lezer uit Hillegom merkte op: ,,Politiek in de media is nog altijd te veel gericht op het Haagse politieke centrum. Politieke problemen zullen meer vanuit het perspectief van de burger moeten worden verwoord.''

Ik kan die kritiek in grote lijnen onderschrijven. Zeker, sommige kranten nemen initiatieven. Ze organiseren openbare debatten, openen lezersspreekuren of werken met vaste wijkredacteuren. In verkiezingstijd ziet het er nog fraaier uit. Dan zet iedereen zijn beste beentje voor. Maar van een wezenlijke verandering is nog geen sprake. Achter alle drukte en opwinding van journalisten schuilt vaak een verbluffende onverschilligheid. Ze maken reportages over misstanden, vragen hooguit een Kamerlid om een reactie, en dat is dan dat. Volgende onderwerp. Het dieptepunt van gratuitheid vormt de televisierubriek Den Haag Vandaag, waar alles om het laatste relletje tussen fractieleden of coalitiegenoten draait.

Journalisten roepen graag dat het land politici nodig heeft die de problemen van burgers oplossen en moreel leiderschap tonen. Het land heeft ook journalisten nodig die hun eigen isolement doorbreken, die burgers en politiek oprecht tot elkaar willen brengen en daarvoor nieuwe, aanstekelijke vormen bedenken.

Theo van Stegeren is publicist.