Herover het speelveld op Pim Fortuyn

Voor de gevestigde politici zou het zowel een welbegrepen eigenbelang als een erezaak moeten zijn om de ban van Pim Fortuyns populisme te breken. De risico's die dit kan inhouden, moeten ze voor lief nemen, vindt Jos de Beus.

Tot nu toe is het succes van de leefbaarheidsbeweging een blijk van de veerkracht van de Nederlandse politiek. In Rotterdam werd een afdeling van de PvdA gewipt die de weelde van alleenheerschappij allang niet meer aankon. In alle gemeenten waar de leefbaarheidspartijen wonnen, steeg ook de opkomst. Alle bijeenkomsten en uitzendingen met Fortuyn erbij worden spektakels. Alle bladen beleven een bloei wat betreft verslaggeving, essayistiek en ingezonden brieven. En als mijn eigen ervaring me niet bedriegt: menig gesprek van de dag gaat eerst over de vent Fortuyn, dan over zijn voorstellen, en ten slotte over de vraag hoe het nou verder moet met de files, wachtlijsten, arbeidsongeschikten, islamisten en ga zo maar door. De kiezer die, alles afwegend, ontevreden is over het paarse regeringsbeleid maar ook over de oppositie daartegen, hoeft straks niet meer thuis te blijven.

Toch stijgt de prijs van dit prille populisme snel. Het gemak waarmee Fortuyn opmarcheert naar Den Haag via Rotterdam is niet uit te leggen als een functionele zweepslag op de rug van gevestigde partijen. Volgens de zweepslagtheorie is Fortuyn een nuttige idioot als hij de paarse partijen dwingt hun doen en laten te verantwoorden, als hij de oppositie prest haar eigen alternatief aannemelijker te maken, en als hij de vorming van een nieuwe coalitie uitlokt die het ongenoegen omzet in een stevig regeerakkoord zonder de tolk ervan ministeriabel te maken. Maar die hele zweepslagtheorie is weerlegd in de week van paniek die begon met het nachtelijk lijsttrekkersdebat over de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen.

Afgezien van Balkenendes CDA, zien wij bij de meeste uitgedaagden nog geen spoor van innerlijke overtuiging, moed of pijnlijke herwaardering. De PvdA en D66 willen een protestpartij verdacht maken die het ideaal van multiculturele gelijkheid en staatkundige hervorming ontdoet van elke schijnheiligheid en lichtzinnigheid. De VVD is bereid tot veel concessie aan dezelfde protestpartij die een achtjarige liberale concessie aan links aanklaagt. Groenlinks en de SP trekken zich terug in hun immune getuigeniscultus van achtereenvolgens wereldburgerschap en slachtofferschap op de wereldmarkt. Alleen het CDA lijkt een eigen antwoord op de stagnatie van het poldermodel te hebben voorbereid, zij het dat de oude corporatistische reflex opspeelt in Balkenendes omarming van het onevenwichtige WAO-plan van de Sociaal Economische Raad. Als deze geregisseerde terugtred van partijen nog even doorgaat, dan wordt Fortuyn inderdaad de grootste op een manier die alleen maar schadelijk kan zijn voor de binnenslandse bestuurbaarheid en het internationale aanzien van Nederland.

Mijn zorg geldt niet de radicale behoudzucht van Fortuyn. Hij verkiest Nederlandse boven Europese grensbewaking. Hij wil een vrijzinnige meerderheidscultuur beschermen tegen een orthodoxe minderheidscultuur. Dit is een onzeker superioriteitsdenken, dat ook in de betere kringen tamelijk courant is geworden. Het zou onwaarachtig zijn om Fortuyns boze achterban de deelname aan het fatsoenlijke gesprek te ontzeggen en om hemzelf te bestrijden als een nieuwe Janmaat of Mussert.

Mijn zorg geldt evenmin de vermoedelijke omslag in de krachtsverhoudingen ten koste van de regeringspartijen en ten gunste van de oppositiepartijen CDA, Groenlinks, SP en ChristenUnie. Een dergelijke omslag zal, zolang hij volgt uit open rivaliteit, de zeggingskracht van het nieuwe parlement en de slagkracht van de nieuwe regering ten goede komen.

Mijn zorg geldt al helemaal niet de stijldoorbraak van Fortuyn. Het staat hem vrij steun te verwerven zonder de geijkte middelen, dus zonder partijprogramma, beroepspolitici, organisatie van vaste leden en financiële doorrekening.

Het gaat me om de verbijsterende constellatie van dit ogenblik. De Rotterdamse en Haagse bestuurders hadden miljarden geïnvesteerd in de sociale infrastructuur . In de havenstad heette dat de `Opzoomering', in de residentie de `kwaliteitsimpuls'. Hoe komt het dan dat talloze Rotterdammers en overige Nederlanders – volgens de peilingen – hun vertrouwen schenken aan een man die eenhoofdig leiderschap zoekt zonder veel ervaring met samenwerking en organisatie? Hoe komt het dat de paarse partijen zich nooit veel aantrokken van de bezinning op achterstallig onderhoud in de publieke sector, gedogen, mislukte multiculturaliteit, bederf van het politieke bestel en geopolitieke achteloosheid?

Die bezinning kwam niet alleen van diverse leiders van de oppositie, maar ook van waarnemers uit eigen kring (Van Dam, Cliteur, Jeekel) en allochtone publicisten (Benali, Bouazza, Ellian). Waarom is zij genegeerd, zodat men nu weerloos is tegen Fortuyns polemische vereenvoudiging ervan? Hoe komt het dat de gevestigde partijen sinds het vertrek van Bolkestein uit de Nederlandse politiek verkrampt reageren, waar zwevende kiezers het vrijmoedige twistgesprek over echte problemen toejuichen? Waarom is er een cordon sanitaire tegen deze onwelkome buitenstaander in de maak – met hulp van ambtenaren, journalisten en academici – terwijl die uitsluiting in andere Europese landen niks oplevert behalve een groter democratisch tekort? Kortom, waar komt ineens dat reusachtige speelveld voor Fortuyn vandaan?

Dit is de centrale vraag in Scheffers recente beschouwing over het bewind van Kok. (Opiniepagina, 2 maart) Helaas wordt zij nauwelijks ernstig genomen in de ontelbare omtrekkende beschouwingen over media, spin doctors, bedrijfsdonaties aan kandidaten en beleidsjargon (in plaats van Nederlands). Nadere bestudering van het gedachtegoed van Fortuyn is al wat leerzamer. Maar het heeft toch iets potsierlijks om in de verzamelde schotschriften van deze columnist een groots politiek idee te willen zien, ja zelfs een Bonapartisme. De gelouterde politici uit Vlaanderen hebben gelijk als zij opmerken dat de kracht van de lijst-Fortuyn samenvalt met de zwakte van het Nederlandse midden.

We moeten allereerst beter begrijpen waarom Paars, opgevat als de Nederlandse versie van de Derde Weg, uitgeput lijkt. Heeft het sociale liberalisme werkelijk een populisme voortgebracht waartegen het zichzelf niet kan of wil verdedigen?

De sociaal-liberale formule leek tot voor kort nog zo sympathiek en succesrijk. Het doel was een nieuw evenwicht in de open samenleving. Tussen rechten en plichten, kansengelijkheid en concurrentie, verantwoordelijkheid van de overheid en verantwoordelijkheid binnen de burgerlijke samenleving, sociale samenhang en individualiteit. De middelen waren opening en regulering van markten, liberalisering van het openbaar nut, bedrijfsmatig functioneren van de overheid, activerend arbeidsmarktbeleid, Europese afstemming en – in het geval van de immigranten – bevordering van verdraagzaamheid, emplooi en zelf-organisatie.

Paars II was, zoals te verwachten is bij prolongatie, een moeizamer verbond dan Paars I. Maar zelfs dit kabinet heeft op onderdelen inhoud gegeven aan de volledige werkgelegenheid en het lidmaatschap van de Economische en Monetaire Unie. Zonder volledig te willen zijn noem ik de rationalisering van de rijksbegroting door Zalm, de veeteeltsanering door Brinkhorst en de aanpak van misbruik van bijstand door Vermeend.

En toch is het ergens verschrikkelijk misgegaan, om te beginnen met het vertrouwen van de gezagsdragers zelf in de reikwijdte van politiek. Oud-minister Peper onthulde een ontboezeming van premier Kok na de Nacht van Wiegel: ,,Ik heb geen zicht meer op wat er in de samenleving gebeurt, ik heb er geen greep meer op.'' De journalist Hilhorst schetste onlangs in `De wraak van de publieke zaak' een realistisch beeld van een reeks tegenvallers, frustraties en onbedoelde gevolgen in de publieke sector. Een bekende milieu-econoom vertelde me dat de één-loketgedachte eigenlijk maar op één gebied is totstandgebracht, namelijk het twijfelachtige bureau voor de belastingvrijstelling van buitenlandse investeerders als Enron. Ook in andere Europese lidstaten zien we dat de Derde Weg letterlijk en figuurlijk ontspoort.

Het begon als een zinnige ontbureaucratisering van spoorwegen, scholen, ziekenhuizen en sociale diensten tegen de achtergrond van zuinig begrotingsbeleid en een integrale aanpak van werkloosheid. Het eindigde in veel gevallen met desorganisatie, slechtere dienstverlening of hogere kosten en prijzen. De nieuwste bijdrage aan de Europese eenheid is dat radeloze patiënten uit de ene lidstaat hun heil zoeken bij de gezondheidszorg in de andere lidstaat.

Het is niet eenvoudig deze ontsporing van sociaal liberalisme te duiden. Ik heb veel geschreven over de Derde Weg tot in de verre kolommen van Politikon, het Zuid-Afrikaanse vakblad van politicologen. Uiteraard zijn de inspanningen en resultaten in de Verenigde Staten, Italië, Denemarken, Portugal en Nederland niet precies te vergelijken, terwijl de tweede termijn van Blair net is begonnen en die van Schröder en Vandenbroucke – de Belgische Derdewegger – nog onzeker is. Toch verschijnt er een algemene tendens van afnemende meeropbrengsten van de centrum-linkse hervormers.

Eerlijk gezegd ontgaat het me waarom intelligente leiders van deze beweging als Clinton-Gore, D'Alema-Rutelli, Rasmussen, Gutteres én Wim Kok hun precaire mandaat in tweede aanleg verkwanselen. Ik houd het voorlopig op enkele onaangename inzichten.

Nabootsing van de markt in de publieke sector voert in de praktijk naar verslechtering van rechtsbescherming en van voorziening van collectieve goederen.

Multiculturalisme komt in de praktijk neer op een afscherming van de gegoede middenklasse. Die klasse kan en mag het zich kennelijk veroorloven om te vluchten voor het fysieke samenleven met immigranten, om een vrijblijvend internationalisme te blijven koesteren, en om degenen die de werkelijke last van de stedelijke tolerantie dragen af te doen als slechte verliezers en enge kleinburgers.

Neergang van de Nederlandse consensusmethode volgt op haar praktische triomf, net als in de jaren zestig. In een sfeer van gestegen verwachtingen verdwijnt de bereidheid tot schikking en maakt een nieuwe immobiliteit zich meester van de partijen, belangengroepen en arbeidsorganisaties.

Er wordt gezegd dat de vertegenwoordigers van het sociale liberalisme in de PvdA, VVD en D66 de ondankbaarheid van kiezers met een kort geheugen zwijgend moeten ondergaan. Of dat zij een nationale spijtbetuiging en vertoon van nederigheid op touw moeten zetten omdat zij niet hebben geluisterd naar de goede adviseurs en de gewone mensen. Of dat zij moeten wachten op Fortuyns zelfvernietiging, die door allerlei psychologen wordt voorspeld. Of dat zij van hun eigen morrende achterban mogen vragen om bezwaren op te zouten en de rijen te sluiten rond het gezag in deze tijden van rechtse ordeverstoring.

Het zijn heel vooraanstaande opinieleiders en campagnevoerders die dit alles aanbevelen. Ik snap wel waarom ze menen dat de waslijst van prestaties van het kabinet geen soelaas biedt in het huidige meningsklimaat. Maar toch zijn hun opties uiteindelijk laf.

De gemeenteraadsverkiezingen en peilingen betekenen dat wij ons voor het eerst moeten voorstellen dat het moment van de sociale liberalen voorbij is. In de Nederlandse geschiedenis betekent dat doorgaans dat de christen-democraten het vuile werk gaan opknappen. Het nieuwe hoofdstuk in deze geschiedenis wordt dan de aanwezigheid van een grote populistische partij. De bedwinging van deze partij vergt hetzij een quasi-nationaal kabinet van de drie grote partijen met GroenLinks en/of D66 hetzij een rechts kabinet van CDA, VVD en de Lijst Fortuyn. Oppervlakkig beschouwd, lijkt de rol van sociale liberalen dan uitgespeeld. Maar bij nader inzien hangt de geloofwaardigheid van de bedwinging van populisme af van de vraag of het beste van het sociaal-liberale legaat kan worden ingezet tegen het slechtste van het populisme. Concreter: het hangt af van de kracht van sociaal-liberale kandidaten en denkbeelden in de campagne die nu op gang komt.

Sociale liberalen in de gevestigde partijen zouden dus allereerst zelf het initiatief moeten nemen met aansprekende en uitvoerbare ambities op de gebieden waar Nederlanders zich zorgen maken of zich zorgen zouden moeten maken (zoals een nieuw ministerie voor Immigratie en Inburgering). Ze moeten zich mengen in de opgevlamde openbare discussie over de wortels en uitingen van populisme, maar ook van fundamentalisme, discriminatie, corrupt bestuur, stroperig overleg, verharding en burgerlijk chagrijn in het land. Ze moeten hun lot verbinden aan wetten en afspraken die een einde maken aan marktfeilen, sociale scheiding tussen bevolkingsgroepen, verstopping van de ruimte, illegaliteit, en kartelvorming in de consensusdemocratie.

Het wordt daarbij doorslaggevend dat vooral de woordvoerders van de regeringspartijen doordringen tot de kern van Fortuyns uitdaging in plaats van die kern te ontwijken. De wil van inheemse Nederlanders en van immigranten om samen te leven is afgenomen in heel Nederland – en niet alleen in Rotterdam. De achtergrond hiervan is een terugkeer van sociaal-economische achterstelling naast internationale concurrentie in de onderkant van de samenleving (in de arbeidersklasse zou Marijnissen zeggen). Men zal dwingend moeten aantonen hoe die elementaire saamhorigheid in vier jaren kan worden hersteld zonder het soort confrontatiebestuur dat Fortuyn propageert. In de omgang met het populisme dient verder redelijkheid te worden betracht zolang populisten blijven afzien van haat en geweld. Een goed democraat kan politici als Fortuyn niet in de campagne demoniseren om daarna voor vier jaren een duivelspact met hen aan te gaan, zoals minister Zalm schijnt te denken. Een goed democraat kan evenmin de populistische plannen inhoudelijk serieus nemen en tegelijkertijd elke procedurele toenadering verbieden.

Het devies van alle gevestigde politici is thans niet `tot uw dienst' (at your service) maar `macht verplicht' (pouvoir oblige). Het zou voor deze politici zowel een welbegrepen eigenbelang als een erezaak moeten zijn om de ban van de populistische verleiding te breken en daartoe risico's voor lief te nemen. Er is nog steeds een uitzicht op zelfreinigende herovering van het speelveld.

Balans van Paars: debat op www.nrc.nl/opinie

Jos de Beus is hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam.

Op 8 april houdt NRC Handelsblad een debat over `Het Nationale Chagrijn' i.s.m. De Rode Hoed te Amsterdam. Aanvang: 20.15. Reserveren: 020-6385606.