Gelaatsruil

De foto's bij deze rubriek werden op 13 maart al eerder in de krant afgedrukt, maar net een beetje anders. Ze werden begin maart door de National Geographic Society in het nieuws gebracht. De linkerfoto toont een Afghaans meisje, misschien 13 jaar oud, dat in 1985 op de omslag van National Geographic Magazine verscheen: het meisje met de groene ogen. Ze was in 1984 in een Pakistaans kamp aangetroffen kort nadat een groot deel van haar familie bij een Russisch bombardement was gedood.

Op de andere foto is ze ongeveer 30 jaar oud. Fotograaf Steve McCurry vond de vrouw met veel moeite terug en kreeg toestemming haar opnieuw te fotograferen. Ze is getrouwd, heeft kinderen en ziet terug op lange jaren Talibaan. Gelukkiger is ze niet geworden, maar angst en ontzetting hebben plaatsgemaakt voor iets dat het midden houdt tussen waakzaamheid, verbittering en berusting.

McCurry heeft geproberd haar precies zo op de foto te krijgen als in 1984 maar helemaal gelukt is het niet. De stand van het hoofd is iets anders en ook de belichting verschilt. Toch was het mogelijk de onderste delen van de foto's, met de delen van het gelaat beneden de neus, onderling te verwisselen zonder dat er hinderlijke onvolkomenheden in de aansluiting ontstonden. Het ging al heel goed met een schaar, maar voor deze rubriek is het met behulp van de computer gedaan.

Wat men ziet als de ruil is voltooid is dat de vrouw van 30 met een jonge kin en mond weer bijna het kind van 13 is. En het kind uit 1984 is met de oude mond opeens een volwassen vrouw geworden. Het resultaat is bij het knippen met een schaar overtuigender, anderzijds maakte het computerwerk duidelijk dat het meisje van 13 nog geen volgroeide schedel had. Zeventien jaar later heeft zij een aanmerkelijk zwaardere onderkaak en deze blijkt interessant genoeg een rol te spelen in de gelaatsexpressie en het beeld dat men zich vormt van haar leeftijd. Als met de computer alleen de mond (en niet ook de kin) werd verwisseld was het resultaat veel minder uitgesproken.

Het is maar een bescheiden experiment maar voldoende om te kunnen vaststellen dat de veroudering van het gezicht zich in de jeugd vooral rond de mond voltrekt. De wijze waarop de spieren rond de mond worden gebruikt, of niet gebruikt, begint in die tijd kennelijk blijvende sporen in de huid achter te laten.

Niet ver hier vandaan ligt de constatering dat ook kleine veranderingen in humeur en stemming makkelijker van de mond dan van de ogen zijn af te lezen. Gewoonlijk wordt aangenomen dat het juist de ogen zijn die de stemmingen verraden (spiegel van de ziel, enz.) maar daarvoor bestaat eigenlijk maar weinig steun. Rond de ogen ziet men, zolang al te hevige emoties uitblijven, voornamelijk wat eendimensionaal wenkbrauwenspel en wat meer of minder toeknijpen. De fijn geïnnerveerde zone rond de mond is het gebied van de nuance.

De volgende stap in deze reeks mini-conclusies is dat niet alleen stemming en gedrag, maar ook karakter en persoonlijkheid vooral rond de mond tot uitdrukking komen. En van de weeromstuit: dat mensen eerder aan de mondzone dan aan het gebied rond de ogen zijn te herkennen. Onderzoek dat zelf eens aan de hand van een reeks krantenfoto's van bekende persoonlijkheden die door een ander in tweeën zijn geknipt. De mond geeft bijna altijd meer houvast, tenzij er een heel karakteristieke schedel boven staat. Merk spelenderwijs op dat oren en neuzen geen enkele functie hebben in de gelaatsexpressie en ook nauwelijks een rol spelen als herkenningspunt. Het haar weer wel.

Zo komen we bij de gelaatsreconstructies waarmee Caroline Wilkinson van Manchester University zoveel eer inlegt. Het ene na het andere veenlijk of voorhistorisch skelet wordt door Wilkinson van vlees en vel voorzien en omgetoverd tot een acceptabele menselijke verschijning. Zij behangt gereconstrueerde schedels en skeletdelen kunstig met spieren van klei of was en het resultaat stemt iedereen tevreden. Toch staat wel vast dat zij er maar een slag naar slaat, niet alleen bij oren en neuzen, maar ook bij de mond en de zone daaromheen. De spieren rond de mond hebben geen aanhechtingsplaats aan de kaken en hun oorspronkelijke omvang is met geen mogelijkheid te reconstrueren. Of de opgeknapte mummie lijkt op de farao die hij eens was valt niet na te gaan.

Ook het ogenschijnlijke succes dat werd behaald met de identificatie van de overblijfselen van het `meisje van Nulde' was natuurlijk een toevalstreffer. De gekozen reconstructie was een vriendelijk middel om zichtbaar te maken dat het gedode meisje een brede spleet had tussen haar tanden en behept was met een overbeet. Zij had een heel karakteristieke mond. Wie de later vrijgegeven foto's van het meisje plaatst naast de reconstructie uit Manchester kan niet volhouden dat ze erg op elkaar lijken.

Of wel? De afnemers van de Manchester-methode, vertegenwoordigers van politie en justitie, houden vol dat de reconstructies de kansen op een juiste identificatie van menselijke overblijfselen enorm vergroten. In een enkel geval hebben zij toegegeven ook zelf wel te beseffen dat het mondgedeelte meestal niet lijkt, maar, zeggen zij, mensen worden nu eenmaal herkend aan het gebied rond hun ogen. Dus aan het bovenste deel van het gelaat.

Daar zit iets logisch in, want het is het gedeelte van het gelaat dat tamelijk precies de welvingen van de onderliggende schedel volgt. Het is de constante in het gezicht. Het is ook de plek in het gezicht waarnaar onbewust het meest gekeken wordt, zelfs een poes of hond kijkt de mens eerder naar de ogen dan naar de mond of de oren.

Dus het meest sprekende deel van het gezicht speelt toch geen grote rol in de herkenning? Dat is het dilemma dat hier vandaag liggen blijft. Vanuit de omgeving van het AW-labo wordt geopperd dat het ene deel van de mensheid zich misschien oriënteert op de mondzone en het ander op de oogzone. En dat er misschien ook grote leeftijdsverschillen zijn: baby's zouden hun ouders herkennen op foto's die ondersteboven worden gehouden. Later meer.