Gangbaar & biologisch

Ik had met Voskuil afgesproken in Deventer. Zijn trein was maar tien minuten te laat. We stapten in mijn auto en reden de stad uit.

Er zijn in ons land drie praktijkcentra voor de varkenshouderij: Lelystad, Sterksel en Raalte. Dat in Raalte, qua omvang een middelgroot varkensbedrijf, in totaal driehonderd fokzeugen, wordt geleid door Adriaan Vernooij. Ik had hem al eens eerder ontmoet, een aardige man die niet al te zwaar gebukt gaat onder het euvel van altijd weer dezelfde vragen.

Ja, hij vindt dat de gemiddelde varkensboer een beter imago verdient dan hij heeft, en ja, hij vindt ook dat het gemiddelde varken een beter leven verdient dan het heeft, en dat het leuke dieren zijn om onder te verkeren, lang niet dom ook.

Hier in de buurt was een varken dat bijna een echtscheiding had veroorzaakt, een doodgewoon slachtvarken, hooguit een half jaar oud, dat had geleerd om tegen het schot te gaan staan en dan kon het net met zijn kin bij de lichtschakelaar.

,,En die echtscheiding?'', vroeg ik.

,,Slaande ruzie'', verduidelijkte Vernooij. ,,Wie er het licht had laten branden.''

Dit verhaal kwam me bekend voor. Maar het blijft een opmerkelijk ondernemend varken.

In het Praktijkcentrum Raalte kun je drie systemen naast elkaar zien functioneren: gangbaar, scharrel en biologisch. Scharrel laten we buiten beschouwing. De helft van het scharrelvlees wordt verkocht door Albert Heijn en Albert Heijn heeft besloten om over te stappen op biologisch. Scharrel gaat eruit, ook in dit praktijkcentrum.

En dan meteen maar even de cijfers, globaal: 13.000 varkenshouderijen in Nederland; daarvan zijn er 75 scharrel en 40 biologisch.

En nog iets om rekening mee te houden: gangbaar betekent in het Praktijkcentrum Raalte overeenkomstig het Varkensbesluit van 1998, gangbaar plús eigenlijk. De meeste gangbare varkens in ons land hebben het minder – minder ruimte, minder licht, minder stro.

Dit instituut, vertelde Vernooij, drijft financieel bijna geheel op onderzoeksopdrachten, van het ministerie van LNV, van het Productschap voor Vee & Vlees en, in mindere mate, van het bedrijfsleven. Excursies, vooral voor belanghebbenden natuurlijk, boeren die zich willen oriënteren, worden met liefde georganiseerd maar leveren nauwelijks inkomsten op.

Goed, onderzoek.

Je wilt dat fokzeugen zich vrijelijk kunnen bewegen in het kraamhok, maar dat betekent meteen een dubbel zo grote kans op het doodliggen van biggen – dan is het dus handig een hok zo in te richten dat biggen gestimuleerd worden om een beetje uit de buurt van het moederdier te blijven.

Je wilt dat vleesvarkens stro krijgen, maar dat betekent meteen het probleem van ruige mest, meer werk voor de betrokken boer – dan is het dus handig een hok zo in te richten dat lig- en mestplaatsen gescheiden worden.

Dat soort dingen.

,,Kunnen ze naar buiten?'', vroeg Voskuil.

,,Voor biologische varkens is dat de regel'', antwoordde Vernooij, ,,die moeten altijd uitloop hebben.''

,,En is zo'n betonnen plaatsje dan genoeg?''

,,Officieel wel. Maar het staat de verkoopketens, Albert Heijn, de Groene-Wegslagers, vrij om verdergaande eisen te stellen. Onze dieren krijgen weidegang.''

,,Weidegang'', herhaalde Voskuil knorrig. ,,Iedereen heeft het maar over weidegang. Varkens zijn bosdieren! Ze houden ervan om in het bos te lopen, of in het riet, om knolletjes op te graven en zo.''

,,Ja'', zei Vernooij.

,,Ja'', zei ik.

Daar had hij een punt.

Verder de bekende cirkelgang. Biggen krijgen ongeveer 25 weken om het ideale slachtgewicht te bereiken, 110 kg. De biologische groeien hier een fractie harder dan de gangbare, hoe dat zit is niet helemaal duidelijk. De biologische behouden bovendien tot het eind hun krulstaartje, terwijl dat bij de gangbare gecoupeerd wordt. In beide systemen worden de mannetjes gecastreerd, zo jong mogelijk en, helaas ja, zonder verdoving.

Vernooij gaf grif toe dat dit laatste veel stress veroorzaakt, wat misschien de groei vertraagt en de effectiviteit van bepaalde vaccinaties ondermijnt – daar mocht best eens meer onderzoek naar worden gedaan.

Ten slotte wisselden we nog van gedachten over het feit dat in beide systemen hetzelfde varkensras wordt gebruikt, hetzelfde genetische materiaal, een Nederlands landvarken aan moederskant en een Groot-Yorkshirevarken aan vaderskant.

De biologische leefwijze stelt echter hogere eisen dan de gangbare. Het dier moet over beter beenwerk beschikken, het moet bestand zijn tegen weer en wind, het krijgt schraler voedsel en alleen bij uitzondering antibiotica. Je zou zeggen dat daarvoor hardere eigenschappen moeten worden ingefokt.

Vervolgens gingen Voskuil en ik onder de douche. Daar is een vaste procedure voor. Dat hoeft niemand een ongemakkelijk gevoel te geven. Tot op ons ondergoed moesten we ons in de bedrijfskleding steken. En gelijk hebben ze, je weet maar nooit wat schrijvers onder de leden hebben.

Toen mochten we het eigenlijke bedrijf in, toen kregen we te zien wat we besproken hadden. We liepen door lange, schemerachtige gangen. Aan weerszijden waren schuine ramen geplaatst. Van bovenaf keek je neer in varkenshokken en in elk hok lag, zat of stond wel een varken dat terugkeek, dat zich, een beetje verlegen met de situatie, een mening over je probeerde te vormen. Wat moeten die mensen daar, willen die wat van me? Kleine, wakkere oogjes, waarin toch ook al iets van berusting te lezen was.

Biggen die onder een warme lamp lagen te slapen, net of iemand ze met een figuurzaag had uitgezaagd en daarna weer in elkaar gepast.

Biggen die net met z'n allen aan het drinken waren geslagen, de gulle moederbuik deinend als een waterbed.

Biggen die als roze mollen achter de rug van een zeug kropen. Drie, telde Vernooij er. ,,De rest moet nog komen.''

Lijfelijke aanraking werd pas mogelijk toen we aan het eind van onze rondleiding langs de buitenhokken van biologische vleesvarkens kwamen. De meeste stoven naar binnen, maar sommige bleven staan of kwamen terug. In mijn jeugdige enthousiasme hing ik natuurlijk meteen over het schot om ze mijn hand toe te steken. Zoals ik al zei: kleine, wakkere oogjes, en altijd weer die ene vraag – waar wachten we eigenlijk op? Voskuil bleef intussen een beetje op afstand; hij zou hier nog op terugkomen.

Toen we weer naar Deventer reden, vergeleken we onze ervaringen. Biologische varkens, we waren er niet gerust op. Ze hadden het beter dan gangbare, dat was duidelijk, en dat was ook iets waaraan je niet schouderophalend voorbij kon gaan. Maar of ze het ook goed hadden? Voldeed hun leven, zoals we dat gezien hadden, een beetje aan de verwachtingen waarmee ze ter wereld kwamen?

,,Het blijft vakbondswerk'', zei ik, ,,geen revolutie.''

Voskuil begon te lachen. Hm, zei hij. En een tijdje later: ,,Het zijn dieren die contact met je willen en je kunt ze alleen maar teleurstellen. Ze willen dat je hun vriend bent en dat is onmogelijk, je kunt ze niet helpen.''