ELKE TIENDUIZEND KILO AAN PROOI LEVERT 90 KILO VLEESETER

Hoeveel vleeseters er in een gebied voorkomen hangt niet alleen samen met hun lichaamsgewicht, maar blijkt ook sterk afhankelijk van de hoeveelheid prooi die voor handen is. Elke 10.000 kilo aan prooi, is goed voor 90 kilo aan vleeseter. Tot deze conclusie komen de ecologen Chris Carbone en John Gittleman na hun onderzoek aan 25 vleeseters (Nature, 22 maart).

Tot op heden, schrijven de twee wetenschappers, wordt de populatiedichtheid van een bepaald organisme vastgesteld aan de hand van zijn lichaamsgewicht. Volgens een ecologische wetmatigheid is die dichtheid afhankelijk van het lichaamsgewicht tot de macht -0,75. Dus, hoe zwaarder en groter een dier, hoe lager zijn populatiedichtheid. Voor planteneters blijkt die wetmatigheid min of meer op te gaan, maar voor vleeseters niet. Eigenlijk is dat ook wel logisch. De dichtheid van vleeseters is meestal lager dan die van grazers, omdat grazers het opgenomen plantaardig voedsel niet volledig omzetten in lichaamsgewicht. Er gaat bij de vertering veel energie verloren. Voor vleeseters is er daardoor veel minder energie beschikbaar dan voor grazers.

Carbone en Gittleman vermoedden al dat de hoeveelheid prooi ook een rol speelt bij de populatiedichtheid van vleeseters. De Europese das en de coyote, zo schrijven ze, wegen allebei gemiddeld zo'n 13 kilo. Toch komt de das 20 keer meer voor dan de coyote.

De twee ecologen stellen de wetmatigheid bij na hun onderzoek aan 25 vleeseters, waaronder de Europese das, een aantal vossoorten, de wolf, de tijger en de leeuw. Ze verzamelden gegevens over hun gemiddeld gewicht en hun dichtheid (per 100 vierkante kilometer, en per 10.000 kilo prooi). Daaruit leiden ze af dat voor elke 90 kilo aan vleeseter ongeveer 10.000 kilo aan prooi nodig is. Om hoeveel dieren het dan gaat, hangt af van het lichaamsgewicht van de vleeseter. Carbone en Gittleman berekenden dat het aantal vleeseters per 10.000 kilo prooi gelijk is aan het lichaamsgewicht tot de macht -0,75.

De wetmatigheid blijkt echter niet altijd op te gaan, schrijven de twee onderzoekers. In sommige gebieden heeft een vleeseter een prooi voor zichzelf, in andere gebieden moet hij een competitie aangaan met andere soorten. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Afrikaanse wilde hond, het jachtluipaard, de leeuw en de gevlekte hyena. Competitie vermindert over het algemeen de populatiedichtheid.

Carbone en Gittleman hopen dat hun model kan bijdragen aan de verbetering van natuurbeheer. Op het moment staan er 90 vleeseters op de lijst van bedreigde of uitstervende diersoorten. Het is niet voldoende om alleen een beschermd gebied voor deze dieren te bevechten. ``Ook de prooidichtheid is kritiek voor de toekomst van stabiele populaties vleeseters'', schrijven ze.