Een wereld van verschil

Het boerenbedrijf in Polen en dat in Hongarije zijn niet met elkaar te vergelijken. De politieke geschiedenis van de landen heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Landbouw in de landen van Midden- en Oost-Europa: een halve eeuw lang onder de paraplu van de Sovjet-Unie en over een paar jaar onder de paraplu van de Europese Unie. Maar veel verder gaat de vergelijking tussen de verschillende landen niet. Poolse boeren lijken net zo min op Hongaarse boeren als Roemeense boeren op Italianen. Ook in het voormalige Oostblok heeft ieder land zijn eigen specifieke, vooral historisch bepaalde, landbouwverhaal. Het ene land komt voort uit de Habsburgse dubbelmonarchie, het andere uit het Russische rijk, het derde heeft zijn wortels op de Balkan.

Polen is veruit het grootste landbouwland ten oosten van wat vroeger het IJzeren Gordijn heette. Polen is ook het enige land in dit gebied waar de landbouw niet gecollectiviseerd werd. De communisten durfden het eind jaren veertig niet aan de Poolse boeren tegen zich in het harnas te jagen. De landbouwgronden werden niet genationaliseerd en de boeren bleven op hun boerderijen. Althans voor zover dat onder de territoriale wijzigingen mogelijk was. Polen verloor tenslotte een groot deel van zijn oostelijke gebieden aan de Sovjet Unie en kreeg er westelijke gebieden van Duitsland voor terug. In de nieuwe gebieden werden wel grootschalige communistische collectieve boerderijen opgericht, maar in het `oude' Polen bleef de kleine boer de norm.

Polen onderscheidt zich van de rest van Midden- en Oost-Europa door een enorme hoeveelheid kleine boerenbedrijven. Ruim twee miljoen bedrijven zijn er, met een gemiddelde grootte van acht hectare. In het zuiden is dat gemiddeld drie hectare en in het noorden zestien.

Van deze twee miljoen bedrijven produceert slechts eenderde voor de markt. De rest houdt een koe, een paar kippen, een landje graan, een moestuin en een boomgaard voor eigen gebruik. Deze boeren hebben vaak nog werk buiten de boerderij of krijgen een pensioen van de staat. Voor generaties Polen zijn deze kleine bedrijfjes de redding geweest in moeilijke tijden. Het saneren van de kleinschalige landbouw ligt dan ook erg gevoelig. Volgens de Poolse overheid is dat echter niet zozeer een landbouwprobleem als wel een sociaal probleem.

Op een enkele streek in Roemenië na zijn alle andere boeren in Midden- en Oost-Europa door de communisten van hun land gejaagd. Collectieve en staatsboerderijen kwamen in de plaats van privé-bezit: gigantische bedrijven met een oppervlak van vele duizenden hectare, naar sovjetmodel. Tot 1989 produceerden deze landbouwbedrijven voor de interne communistische markt, de Comecon. Daarna zakte alles in.

De Oostblokmarkt viel weg en de Oost-Europese landbouw raakte met zichzelf in de knoop. Een van de grootste problemen was de distributie van land. In de overgang naar een vrijemarkteconomie werden de grote staatsbedrijven ontmanteld. In sommige gevallen kregen de oude bezitters hun grond terug, maar meestal kregen alle medewerkers van de collectieve boerderij een stukje grond. En daar konden ze weinig mee omdat ze geen echte boeren meer waren. De één kon alleen maar op een tractor rijden. De ander had alleen maar in varkensstallen gewerkt. De boeren die in 1989 uit de collectieve boerderijen tevoorschijn kwamen, waren niet hetzelfde als de mensen die er ruim veertig jaar eerder onder dwang waren begonnen.

Een ander probleem was de financiering van de nieuwe bedrijven. Aan het begin van de jaren negentig moest het kapitalistische bankwezen nog van de grond komen. Op leningen moest een rente van rond de 30 procent worden betaald. En als dat allemaal toch lukte, dan was er nog het probleem van de afzet. De communistische kanalen werkten niet meer en er was niets voor in de plaats gekomen. De boer moest zijn producten zelf naar de markt brengen.

Terwijl steeds meer landbouwgrond in Midden- en Oost-Europa in de versukkeling raakte, roken de boeren van de Europese Unie hun kans. De Oostenrijkse boeren die net lid geworden waren van de EU als eersten. In Burgenland kwamen ze massaal de grens over op zoek naar goedkope landbouwgrond. De Hongaren waren in eerste instantie maar wat happig om de stukjes grond te verkopen die ze net uit de staatsboerderij hadden gekregen. Ze hadden er toch geen band mee en ieder beetje geld was meegenomen. En voor de Oostenrijkers was het goud geld: zij konden het Hongaarse land voor een stuiver opkopen en bewerken terwijl ze in eigen land nog eens extra subsidie van de Europese Unie opstreken omdat ze hun eigen grond braak lieten liggen. Inmiddels is de verkoop van grond aan buitenlanders verboden. Maar de Oostenrijkse boeren die er meteen bij waren, komen nog dagelijks met machines de grens over om de Hongaarse grond te bewerken.

De grondpolitiek is vanaf het eerste moment een groot probleem geweest en nooit helemaal opgelost. In Hongarije waren het vooral de Oostenrijkers, in Polen de Duitsers en in mindere mate Nederlanders die de markt kwamen afgrazen. De verkoop van land aan buitenlandse boeren is een teer punt bij de onderhandelingen over toetreding tot de EU. Om de eigen soevereiniteit te beschermen hanteren alle kandidaten een overgangstermijn van enkele jaren. Maar buitenlandse landbouwbedrijven hebben inmiddels juridische omwegen gevonden om toch aanwezig te kunnen zijn in het gebied.

De landbouwgronden van Midden- en Oost-Europa zijn erg aantrekkelijk voor de westerse boeren. Er is ruimte, er is goede grond, er is water en de zon schijnt er. Niet voor niets was Oost-Europa ooit de graanschuur van het continent. Roemenië, waar grote delen van de landbouwgronden nu braak liggen, is het duidelijke voorbeeld van het contrast tussen nu en toen.

En zelfs het Midden- en Oost-Europese nadeel heeft een voordeel. Aangezien de landbouw in zijn algemeenheid veel minder intensief is geweest, is er ook veel minder gespoten met landbouwgif. Veel boeren zijn ecologisch zonder dat ze het zelf weten. Ze hebben eenvoudigweg niet het geld voor dure middelen. Zuivelproducten, groente, vlees en fruit zijn van gemiddeld hoge kwaliteit: melk smaakt er naar melk en een tomaat naar een tomaat. Ook al is de EU niet altijd even enthousiast over de sanitaire omstandigheden waaronder de producten op de markt worden gebracht.

Een organisatie als de FAO (Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties) ziet grote mogelijkheden voor `sustainable' landbouw in het gebied. De achterstand van de landbouw in het voormalige Oostblok biedt de mogelijkheid om fouten te voorkomen die in West-Europa gemaakt zijn. Maar dan moeten de boeren van Midden- en Oost-Europa wel een eerlijke kans krijgen onder de Europese paraplu.