De weidse blik van de Hollandse kaartenmakers

Hoe toonaangevend Holland, met name Amsterdam, in de zeventiende eeuw was als handels- en scheepvaartcentrum, wordt op bijzondere wijze geïllustreerd door de hoog ontwikkelde cartografie voor zeekaarten.

Van de eerste originele zeekaarten die zeevaarders van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) optekenden, zijn nauwelijks exemplaren bewaard gebleven. De zeelieden gooiden een verouderde zeekaart letterlijk overboord als er een nieuwe editie uitkwam. Wellicht gebeurde dat zelfs op gezag van hogerhand. Johan Blaeu, één van de eerste hydografen van de VOC, beheerde een geheim kaartenarchief dat zorgvuldig werd afgeschermd voor de concurrentie. Maar door de oekaze van de Heren XVII dat de eerste zeldzame, met de hand getekende kaarten, alleen voor VOC-gebruik waren, is er veel verloren gegaan.

Niettemin begon er via kopieën al snel een bloeiende industrie van zeemansgidsen en zeeatlassen te ontstaan. Veel van die historische land- en zeekaarten bevinden zich, naast een enorme collectie schilderijen, scheepsmodellen en ander curiosa, in de `kunstcollectie' van rederij Nedlloyd.

Aanvankelijk beheerste Willem Blaeu de markt voor zeekaarten. Maar anderen namen als snel de productie over. Alleen al in de periode 1608-1680 verschenen er ongeveer 500 verschillende edities van zeemansgidsen in Holland. Het precieze aantal is niet bekend, want een nauwkeurige boekhouding er op na houden was in die dagen geen gebruik.

Amsterdam was lange tijd het middelpunt van de wereldhandel in zeekaarten. Op strategische plaatsen in de buurt van de aanlegplaatsen van de VOC waren de winkels te vinden, zoals in de Nieuwebrugsteeg. Maar de neergang van deze industrie kwam net zo snel als een halve eeuw eerder de opkomst. Omstreeks 1680 waren er nog drie drukkers over, die uiteindelijk overgingen in een onderneming die de cartografie nieuw leven in zou blazen, Het Huis van Keulen.

Tussen 1681 en 1684 bracht Johannes van Keulen een nieuwe zeemansgids uit op groot formaat en in vijf delen: de Nieuwe Groote Ligtende Zeefakkel. De Zeefakkel kreeg ook een Franse en Spaanse editie. Maar pas na de dood van Johannes van Keulen kwam de Nederlandse maritieme cartografie op een ongeëvenaard internationaal niveau. De invloed van zijn zoon Gerard van Keulen was zo groot dat in geen enkele maritieme verzameling van belang diens kaarten ontbraken.

Tussen 1704 en 1726 werd onder zijn leiding een archief van zeekaarten in handschrift opgebouwd, dat de kusten van de hele wereld omvatte. De kaarten waren veel mooier dan de door zeelieden, vaak in verre onbekende streken, opgetekende oorspronkelijke versies. Ze werden met de hand ingekleurd en fraai gedecoreerd waardoor ze voor een hogere prijs konden worden verkocht.

Er kwam pas een einde aan de Hollandse reputatie op het gebied van zeekaarten in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen ook de VOC op zijn eind begon te lopen. Dat kwam door de veel professionelere aanpak van de Fransen en vooral de Engelsen. Baseerden de Hollandse cartografen zich nog op de amateuristische opmetingen van schippers tijdens hun tochten langs vreemde kusten, in Engeland werden speciale schepen uitgerust voor de hydrografische opmetingen. Die kaarten waren dermate accuraat dat buitenlandse reders besloten niet langer hun boodschappen te doen in Amsterdam.

Daarmee ging opnieuw een stukje belangrijke industrie met de VOC ten onder.