De grootse letteren

Het is ermee zoals met het Hollandse weer: je weet niet precies wanneer de regen komt, maar wel is het zeker dat die komt. Ik bedoel nu rapporten over de kleine letteren. Ze zijn een zegen gebleken voor het handhaven van heerlijke specialismen. Zou er nog iemand zijn die jiddisch of neolatijn kon lezen als dit niet aan de universiteiten als noodzakelijk onderdeel van het wetenschappelijk palet gezien werd? Maar tegelijk maken die rapporten me wantrouwig. Zijn de uitkomsten de bestuurders soms niet welgevallig, want waarom zouden ze anders steeds overgemaakt moeten worden? Waren Staal en Vonhoff niet duidelijk genoeg?

Binnen een maand heb ik nu weer twee rapporten gezien over de toekomst van de letteren. Een van de KNAW, dat begeleid door veel geweeklaag in de kranten naar buiten kwam, en een intern rapport van de Universiteit van Amsterdam onder de titel Een club op voeten. Dat laatste heeft veel weg heeft van een tegenvallend jaarverslag voor aandeelhouders. De afgelopen dagen konden we bij het journaal afkijken hoe bestuurders met een blijde, bijna olijke glimlach aankondigen dat ze het grootste verlies aller tijden geleden hebben, of het nu de KPN of Conmart of Philips was: het belangrijkste nieuws was dat er een record behaald was, en het leek niet uit te maken of dat nu om verlies of winst ging.

Het rapport van de Universiteit van Amsterdam heeft ook zo'n uitstraling: als je je verlies maar lachend toegeeft, dan is er eigenlijk niets aan de hand. De rendementscijfers zijn bar laag, er zijn te weinig studenten, er is te veel en te oud personeel, maar verder is alles o.k. Er moet een beetje geld bij de kleinste letteren, d'r moet wat meer afgestudeerd worden en d'r moet wat gepraat worden over een profiel, dat is alles. Het is een rapport dat je 's avonds in bed kunt lezen zonder er 's nachts van wakker te liggen, laat staan er kwade dromen van te krijgen. Er staan mooie literaire citaten in en de titel komt van Gerard Reve, uit de fictie dus en wie zou er nou bang zijn voor fictie? Je neemt je hooguit voor nog eens met de studieadviseur te praten over die achtstejaars die alleen nog maar een nota hoeft af te ronden en dan zijn bul op kan halen.

Maar het Amsterdams rapport is venijniger dan je in eerste instantie denkt. Zo tussen de regels door staat er fundamentele kritiek op het geesteswetenschappelijk onderwijs in het algemeen. De geesteswetenschappen, zo menen de opstellers, hebben een opvatting over hun taak die gebaseerd is op negentiende-eeuwse ideeën over `Bildung'. De studenten aan een universiteit wordt een cultuurideaal bijgebracht dat beperkt nationalistisch is en dat uitgaat van een homogene cultuur in een land. Koesteren van het eigen erfgoed hoort ook bij dat cultuurideaal. Impliciet verwijzen ze met het woord `Bildung' naar Wilhelm von Humboldt, stichter van de Berlijnse universiteit, die in de vroege negentiende eeuw grote invloed had door zijn opvattingen over een Bildungsideaal. Het individu kan zich alleen maar ontplooien tot een harmonieuze persoonlijkheid door innerlijke beschaving na te streven. De harmonie in de buitenwereld ontbreekt, daarom moet men die in zichzelf creëren.

In een ideale samenleving werkt iedereen aan zijn individuele `Bildung', waar echter vrijheid van alle uiterlijke dwang voor nodig is. Iedereen moet zijn eigen bestemming volgen, en omdat de mens van nature goed is, zal blijken dat die vanzelf harmonieert met die van zijn medemens. Bildung is bij Humboldt wat anders dan er in de grote-voeten-club onder verstaan wordt: het is geen nationalistisch, vastgeklonken erudiet cultuurideaal, maar een individueel beschavingsproces.

Hoe dan ook, de opstellers van het rapport vinden dat de moderne burger meer gericht zou moeten zijn op vergelijking en confrontatie van culturen. Ze verwijten de hedendaagse letterenfaculteiten een beperkte visie, die zich het duidelijkst laat zien in de verschillen tussen onderwijs en onderzoek. Terwijl in de onderzoeksinstituten de disciplines grens- en taaloverschrijdend zijn, houdt het onderwijs strak vast aan de oude indelingen in talen als overkoepeling voor een studie.

Het rapport heeft een voorkeur voor een herverkaveling van de oude disciplines. Een nieuwe student kiest er dan niet meer voor om Frans, Duits of Zweeds te gaan studeren, maar bijvoorbeeld `Europese Romantiek' of `multiculturele patronen'. Vooronderstelling daarbij is dat de hedendaagse student niet meer de diepte van een specifiek vak in wil, maar dat zijn voorkeur er naar uit gaat om een beetje te zappen tussen de ene en de andere invalshoek, en dat hij met een losjes samengesteld pakket een doctoraal of master wil halen. Die mentaliteit ken ik wel: een postmoderne talenstudent ziet de noodzaak niet van het stevige basispakket waar de docent nog aan hangt. Hij hoeft geen traditionele grammatica te volgen om zinnen te begrijpen, geen filologische cursus om historische teksten te kunnen lezen die ook in hertaling te lezen zijn, geen scholing te hebben in bibliografisch onderzoek, want daarvoor is internet. De docent kan twee dingen doen en ze zijn allebei niet goed: krampachtig vasthouden aan de gedegen historisch gegroeide opleiding, of pragmatisch meegaan met de nieuwe oppervlakkigheid. Een tussenweg lijkt er niet te zijn.

In Een club op voeten probeert men toch te laveren tussen het een en het ander. Een beperkt behoud van de traditie wordt erin voorgesteld, naast nieuwe indelingen voor de masterfase. De voorstellen zijn daardoor geen breuk met de negentiende eeuw, maar juist een terugkeer. Normaal gesproken zou ik dat toejuichen, maar juist in het geval van de hogeschool was die eeuw geen rolmodel. Alles wat er mis kon zijn aan hoger onderwijs was mis. In 1842 waren er aan de Leidse Faculteit der Godgeleerdheid 106 studenten op 3 hoogleraren. Meer onderwijzend personeel was er niet. Iedereen die onderwijs gaf was hoogleraar. De letterenfaculteit telde acht docent-hoogleraren. Twee hoogleraren waren er voor Grieks en Latijn, twee voor Nederlands, een voor wijsbegeerte en een voor geschiedenis, en dan nog twee in totaal voor Arabisch, Syrisch en Hebreeuws.

Nu waren er ook maar 44 studenten in de letteren, maar de cijfers worden vertekend door het feit dat elke student verplicht colleges in de letteren moest volgen. Van een mooi Bildungsideaal was in de praktijk geen sprake. Er werd in potjeslatijn lesstof gedicteerd. Uitwisseling van gedachten tussen docent en student was ondenkbaar. Enige samenhang of opbouw in het programma was er niet: zappen was toen de enige mogelijkheid. Geld voor onderzoek was er niet.

De klachten over het hoger onderwijs waren legio. Men moet er Johannes Kneppelhout maar eens op naslaan. Van zijn Studentenschetsen is net een prachteditie verschenen, die op de literatuurlijst van universiteitsbestuurders zou moeten staan. Als een van de oorzaken voor desinteresse bij de studenten noemt hij de verplichting voor verbreding. Hij vindt het bespottelijk dat een wiskundige voor zijn kandidaatsexamen lessen in de Griekse en Latijnse letterkunde moet volgen, even verwerpelijk als de verplichting voor een student in de letteren om een examen af te moeten leggen `over de gronden der reken- en stelkunst, alsmede over die der meetkunde, met insluiting der platte-driehoeksmeting'. Hij vraagt zich af of deze verplichte verbreding in feite niet een verlenging van de middelbare schooltijd is. Malle praatjes noemt hij het pleidooi voor brede vorming: `men leert tijd vermorsen, leeglopen, slecht gezelschap vinden, schreeuwen, geld doorbrengen, onbruikbaar worden voor zijn ganse leven en in acht maanden tijd de vrucht van achttien jaren ouderlijke zorg en liefde vernielen.'

Dat zou nog allemaal niet zo erg zijn, als de hoogleraren er nog wat van maakten. Hij onderscheidt twee soorten hoogleraren: de dicterende en de echte. De laatste bestaan niet. De eerste stellen zodra zij hoogleraar zijn een dictaat samen, houden hun oratie, en slaan dan aan het dicteren, en dicteren tot de dood of het gezegende emeritaat de hogeschool van hun stilstaande wetenschap ontslaat. Kneppelhout zou het allemaal anders willen: de hogeschool zou voor hem een brandpunt van geleerdheid moeten zijn, onderhouden uit algemene middelen van de staat. Iedereen, burger en vreemdeling, moet er kosteloos heen kunnen. Een hoogleraar mag niet voorlezen en de verbreding wordt afgeschaft. Wetenschappelijke beschaving is het einddoel. Voorwaar een mooi ideaal, ware het niet zo dat je met die twee woorden niet verder komt omdat iedereen er zijn eigen invulling aan kan geven. Ze zijn als lege glazen: alles wat vloeibaar is kan erin gegoten worden.