De geest van Monterrey

Aan fraaie bedoelingen ontbrak het niet. Deze week had de grootste VN-conferentie over ontwikkelingssamenwerking plaats die ooit is gehouden, de Internationale Conferentie voor de Financiering van Ontwikkeling. Staatshoofden, regeringsleiders, ministers, internationale functionarissen, afgevaardigden van niet-gouvernementele organisaties en demonstranten stroomden naar de Mexicaanse stad Monterrey. De miljarden dollars vlogen over tafel met als hooggestemd doel de ambities van de Millenniumverklaring, die de VN anderhalf jaar geleden tijdens een speciale zitting van de Algemene Vergadering aanvaardden, te verwezenlijken. Zo gaat dat met internationale ontwikkelingsconferenties: ze leveren doelstellingen op die volgende conferenties proberen te halen.

In de jaren zeventig, de hoogtijdagen van het ontwikkelingsdenken, besloten de VN dat de rijke landen jaarlijks 0,7 procent van hun bruto nationaal product aan ontwikkelingshulp moesten besteden. Het is er nooit van gekomen. De huidige officiële hulp, 53 miljard dollar per jaar, bedraagt 0,22 procent van het bnp der rijke landen. Aan de vooravond van Monterrey kondigden de VS 5 miljard dollar verhoging van hun hulpbudget aan door minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) even kernachtig als ondiplomatiek een `fooi' genoemd. Na een paar dagen van verwarring en internationale kritiek bleek dat de vijf miljard niet incidenteel is, maar structureel: vanaf 2006 bedraagt de Amerikaanse hulp (nu nog 10 miljard dollar) 15 miljard dollar per jaar. Los van dit gebaar van Bush – de Amerikaanse hulp bestaat voor het grootste deel uit militaire hulp aan bevriende regimes in het Midden-Oosten en is als ontwikkelingsinspanning niet serieus te nemen. Tegelijkertijd hebben de landen van de Europese Unie besloten de Europese hulp te verhogen van de huidige 0,33 naar gemiddeld 0,39 procent van hun bnp. Dat levert 6 miljard dollar extra op. Weliswaar pas in 2006 maar in Monterrey is het meegenomen om er indruk mee te maken.

Méér geld zoals Nederland, dat evenals de Scandinavische landen 0,8 procent van het bnp bestemt voor ontwikkelingssamenwerking is dat de oplossing? De Wereldbank en de VN hebben becijferd dat jaarlijks zo'n 50 miljard dollar extra nodig is om de doelstellingen, minder armoede, bestrijding van ziektes, betere toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, in 2015 te bereiken. De Wereldbank laat geen gelegenheid onbenut om te beklemtonen dat hulp helpt: de afgelopen veertig jaar is volgens een Wereldbankrapport dat ter gelegenheid van de conferentie in Monterrey is uitgekomen, veel bereikt wat betreft verbetering van de levensomstandigheden in ontwikkelingslanden. Het standpunt van onder meer de Amerikaanse minister van Financiën dat alle hulp weggegooid geld is, wordt heftig bestreden. De ironie wil dat de Wereldbank, het IMF en de VN tegelijkertijd onder vuur liggen van antiglobaliseringscritici, die van mening zijn dat deze instellingen de armoede in stand houden met hun marktgeoriënteerde economische aanbevelingen.

Dit raakt de kern van het ontwikkelingsvraagstuk: wat wordt met de financiële hulp bereikt? De internationale instituties hebben de afgelopen decennia sterk uiteenlopende aanbevelingen voor het beleid in ontwikkelingslanden gedaan, soms met dramatische gevolgen, en ze hebben landen gesteund die dat op geen enkele manier politiek, mensenrechten, economie verdienden. Zo is veel geld verspild. Aan de andere kant blijkt uit voorbeelden dat een gerichte ondersteuning van landen die een behoorlijk economische beleid met fatsoenlijk bestuur proberen te combineren, positieve effecten heeft. Niet hulp, maar financiële prikkels werken. Geleidelijk dringt dit onderscheid door tot de hulpgevende gemeenschap.

Naast de binnenlandse omstandigheden van ontvangende landen spelen nog drie andere aspecten een rol. Ten eerste is de particuliere kapitaalstroom al jaren ook na de recente financiële crises in de Derde Wereld groter dan de officiële ontwikkelingshulp. In de `middeninkomenslanden' kan de private markt meer bereiken dan overheidshulp. Ten tweede blijft de opening van de westerse markten voor producten uit ontwikkelingslanden van belang. Afschaffing van het Europese landbouwbeleid of van belemmeringen op de textielimport om twee overbekende voorbeelden te noemen waarover al jaren vruchteloos wordt gepraat leveren de Derde Wereld meer op dan alle officiële hulp bij elkaar.

Ten slotte is er het sombere perspectief van een aantal `allerarmste' landen, voornamelijk in Afrika. Ze gaan gebukt onder de last van ontwikkelingsleningen die hun doel niet hebben bereikt en die ze niet kunnen aflossen. Ze worden geplaagd door dalende prijzen van tropische agrarische grondstoffen, ze hebben geen toegang tot de wereldmarkt, ze kampen met een explosief stijgende bevolking en ziekte-epidemieën, ze worden geteisterd door burgeroorlogen, gewelddadigheden tegen de eigen bevolking, despotisme, slecht bestuur, corruptie en, in een aantal gevallen, radicaal fundamentalisme. Niemand weet hoe de ontwikkelingskansen van dergelijke landen zijn te keren. Méér geld of kwijtschelding van schulden helpen niet, omdat hulpdollars evengoed voor ziekenhuizen of scholen gebruikt kunnen worden als voor kapitaalvlucht of wapenaankopen.

Dit vraagstuk kwam in Monterrey niet aan de orde, behalve in de meest algemene bewoordingen. Maar het draait om dit probleem: hoe kan bereikt worden dat schaars geld zodanig besteed wordt, dat in 2015 de volgende VN-conferentie zich niet hoeft te buigen over de vraag waarom de doelstellingen van Monterrey niet zijn gehaald.