De dorst van New Delhi is niet te lessen

De dorst van New Delhi is niet te lessen. Nu de lente bijna voorbij is – de lente in New Delhi duurt amper twee weken, waarin de temperatuur stijgt van 20 naar 45 graden Celsius – verschijnen alarmerende berichten over het dreigende water tekort deze zomer. In sommige delen van de stad is het grondwaterpeil weer met een paar meter gezakt, tot een diepte van soms vijftig meter. Daar valt nauwelijks tegen op te pompen.

Gelukkig komt het grootste deel van het water voor New Delhi van de Jamuna. Vroeger een statige, imposante rivier die genoemd werd in de grote mythologische vertellingen als de Mahabharata, nu een drabbige sloot van donkergrijs water met een zware rioollucht, waar jongetjes van elf, voor een paar stuivers van de toeristen, met een zekere doodsverachting in duiken.

Het kost de stad steeds meer geld en moeite om dat water schoon te krijgen. En schoon is een groot woord. Er zijn weinig steden in de wereld waar zo streng wordt gewaarschuwd tegen het drinkwater als in New Delhi. Het kost vele generaties om er tegen opgewassen te raken en volgens artsen wordt die staat eigenlijk nooit bereikt; men raakt slechts gewend aan de permanente buikloop.

Daarom is het des te verrassender dat in New Delhi het oeroude gebruik wordt gehandhaafd om iedereen die ergens binnenkomt een glas water aan te bieden. Je hebt bij vrienden, maar ook in winkels en kantoren, nog geen stap over de drempel gezet, of iemand staat klaar met een glas water. Het is waar, New Delhi is een woestijnstad en elke gast is per definitie dorstig. Maar om die dan meteen dysenterie te bezorgen?

Hoewel New Delhi al 3000 jaar oud is, kun je niet zeggen dat het ooit voor menselijke bewoning was bedoeld. De stad ligt op de grens van de woestijn van Rajasthan en het weelderige groen van deelstaat Haryana. Hier ontmoetten de Arabische kameelcaravans de Indiase verbouwers van rijst elkaar. Maar een eenvoudige markt is nog geen goede reden om er te gaan wonen.

In 1931, toen de Britten New Delhi tot hoofdstad maakten, waren er nog geen miljoen inwoners. Nu moeten vijftien miljoen mensen er zien te overleven en de deftigste wijken van de middenklasse zijn juist aangelegd in het zuiden, waar vroeger het woestijngebied begon.

Je zou het niet denken, als je door de rijke buurten wandelt. Er is hier zo veel groen, er zijn tegen het einde van de lente zo veel kleurige bougainvilles, dat je je in een park waant waar lieve vogeltjes de heerschappij hebben. Maar sta eens vroeg op, om een uur of zes. Dan zie je tot je verbazing dat iedere boom en elke plant apart water krijgt van een langzaam rijdende tankwagen.

Hoe is dat te rijmen met het feit dat de waterleidingmaatschappij maar één uur per dag water laat stromen door de leidingen? Dat is niet te rijmen. Maar de rijken hebben krachtige elektrische pompen, om zo snel mogelijk het schaarse water in hun watertank te zuigen. Steeds meer water hebben de rijken nodig, vooral omdat ze tegenwoordig moderne wc's hebben die bij elke spoelbeurt negen liter water het riool in laten lopen. Het getjilp van de lieve vogels wordt een uur per dag ruimschoots overstemd door het luide gezoem van de waterpompen.

In de arme buurten zijn er geen vogels of pompen. Elke sloppenwijk heeft ten minste een openbare kraan waar iedereen zich, in het uurtje dat er water uit komt, om schaart: mannen zepen zich halfgekleed in, kinderen poedelen en vrouwen slaan op bundels kleren in een wanhopige poging ze schoon te krijgen.

De moessonregens in augustus brengen New Delhi nauwelijks verlichting. In de twintig dagen waarin het regent stroomt het water over de harde grond meteen de Jamuna in. Dan ligt de stad na te dampen en stijgt de temperatuur tot zulke hoogten, dat zelfs de vogels zich niet meer laten horen.