De bio-industrie overwint

De wereldmarkt gaat open en dat vraagt om specialisatie en schaalvergroting. Het resultaat: overal witlof en kleine bedrijven worden opgenomen in agrarische supermachten.

Stel je voor: de hele Flevopolder één groot witlofveld. Alleen maar witlof, overal. Misschien biologische witlof, maar toch: witlof. Het is een mogelijk vergezicht van de landbouw in Nederland. Volgens sommige voorspellingen zullen specialisatie en schaalvergroting in de landbouw zo ver oprukken, onder druk van de zich verder openende wereldmarkt, dat Nederland niet voldoende ruimte meer heeft voor echte akkerbouw.

Gewassen als graan, aardappelen en suikerbieten, nu nog in aanzienlijke mate aanwezig, kunnen dan niet meer worden geteeld op competitieve wijze. Nederland wordt definitief een tuinbouwland, een land van witlof, snijbloemen en tulpenbollen. Glazen kassen rukken verder op, en de ruimste open streek van het land, de Flevopolder, wordt klein genoeg voor een nichemarkt: de biologische teelt.

Meer voorspellingen, nu over de dierlijke sector. De bio-industrie blijft: voor varkens en kippen, al dan niet gehouden in flats nabij de haven, zijn immers altijd afnemers te vinden in een dichtbevolkt gebied als noord-west Europa.

Ook de melkveehouderij, nu nog verantwoordelijk voor de `stoffering' van het landschap met koeien, gaat onvermijdelijk steeds meer richting bio-industrie, zo blijkt uit een toekomstverkenning die het ministerie van Landbouw deze week publiceerde. Steeds minder koeien komen straks nog buiten hun ammoniakwerende zero-grazing stallen. Ze zijn opgenomen in een sluitende, superefficiënte mineralenkringloop. De koe wordt nog meer de geperfectioneerde versie van de melkfabriek die zij ook vandaag al is. Op dit moment komt al vijftien procent van de melkkoeien in Nederland niet meer buiten in de wei. Zij produceren zo veel melk, dat zij te gevoelig zijn geworden voor de ziekten die in de openlucht rondwaren.

Industriële landbouw en de eindeloze vergroting van schaal en efficiency waarmee die gepaard gaat, gelden als schrikbeeld voor de argeloos consumerende burger. Typerend is de snelheid waarmee een plan van tafel verdween waarmee een Haagse organisatie met de

omineuze naam `Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster' eind 2000 de wereld had opgeschrikt. Het netwerk opperde dat de samenleving binnen enkele tientallen jaren gediend zou zijn met de inrichting van agroproductieparken voor ,,industriële ecologie en symbiose tussen bedrijven''. Daarbij hoorde een flatgebouw met 300.000 varkens, 1,25 miljoen kippen, een zalmkwekerij en plantages voor witlof en champignons bij de Rotterdamse haven. Alles lijkt voordelig in dit plan: voer wordt gemakkelijk aangevoerd, afvalstoffen kunnen ter plaatse worden gerecycled, dieren krijgen op efficiënte wijze veel meer ruimte en comfort dan nu, energie is goedkoop, en een miljoen consumenten in de omgeving kunnen op hun wenken worden bediend. De `varkensflat' reist sindsdien de internationale media langs als prikkelend, maar afschuwwekkend idee. In Den Haag is elke verwijzing ernaar taboe geworden, vanwege het ,,ongewenste industriële imago''.

Maar wat kunnen samenleving en politiek ondernemen tegen technologische vernieuwing, anders dan die simpelweg, en mogelijk vruchteloos, verbieden? Opvallend genoeg precies in de periode dat de overheid voor het eerst in de Europese geschiedenis greep kreeg op de landbouwproductie – met de naoorlogse subsidies uit Brussel – brachten landbouwhistorici in kaart hoezeer alle agrarische vernieuwingen in het verleden verbonden zijn met de marktmogelijkheden. In het spoor van de Wageningse nestor van de agrarische geschiedenis Slicher van Bath – ,,Napoleon is niet belangrijk, maar de suikerbieten die tijdens Napoleon gekomen zijn, die zijn belangrijk'', zei hij ooit in een interview – wierpen zij zich op de materiële omstandigheden van de agrarische ontwikkeling.

Bij de historicus Jan Bieleman mondt dat in 1992 uit in een standaardwerk over de Geschiedenis van de landbouw in Nederland tussen 1500 en 1950. Hierin wordt de agrarische geschiedenis beschreven als een patroon van dynamische innovatie, dat al lang voor de technische revoluties van eind negentiende eeuw begon. Boeren in Holland richtten zich in de zestiende eeuw al op intensieve en gespecialiseerde landbouw, op het moment dat de groeiende economie en de betere handelsverbindingen dat toelieten. Het belang van internationale verbanden en de centrale plaats van Nederland daarbij blijkt onder meer op sprekende wijze uit de activiteiten van zestiende-eeuwse `cowboys' die jaarlijks in de vroege lente kuddes van tientallen ossen uit Denemarken naar de Hollandse grasweides dreven, waar ze werden afgemest en voor consumptie verkocht.

Droogleggingen in Noord-Holland en ontginning van veengebieden in Vlaanderen en Brabant om het landbouwareaal te vergroten zorgden in diezelfde periode al voor milieuschade: watersystemen werden verstoord, pas gewonnen landbouwgrond verpieterde soms weer snel.

In het algemeen komt intensieve landbouw in Europa het eerst tot ontwikkeling in gebieden waar de ruimte beperkt is en de economische activiteiten rond steden groot zijn, zoals Vlaanderen en Noord-Italië. In Nederland leidt de intensievere landbouw tot ver in de twintigste eeuw ook tot een oplopend aantal boeren. Na 1950 zet een daling in met een gestaag ritme. Waren er in 1980 nog 145.000 bedrijven over, in 2001 waren dat er volgens de jaarlijkse landbouwtelling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet veel meer dan 97.000. Schaalvergroting van steeds intensiever producerende bedrijven is daarvan de belangrijkste trend. De honderd grootste boeren produceren nu evenveel als de 24.000 kleinste samen.

De Nederlandse agrosector is nog steeds sterk afhankelijk van de export: driekwart van elke euro die in de landbouw wordt verdiend, komt uit het buitenland. Onder meer door de export van tuinbouw- en zuivelproducten neemt Nederland op exportranglijsten van agrarische grootmachten de derde plaats in, gemeten naar de handelswaarde (24,5 miljard gulden in 2000). Het grootste gedeelte daarvan wordt verdiend in Europa. En daarin zal niet zo snel verandering komen.