Boer worstelt met realiteit en romantiek

Boeren zien zichzelf als bewakers van de vrede, maar de maatschappij ziet vooral milieuvervuiling. Verongelijktheid ligt dan op de loer.

Het verhaal van Bart en Ellen Vosselman (beiden 52 jaar) uit Epe is geen bijzonder vrolijke bladzijde uit het dagboek van de hedendaagse Europese boer. Tot vorig jaar had het echtpaar volgens hun klanten de lekkerste tomaten uit de regio. In december staakten zij de verkoop van groenten op de boerderij. Niet vanwege uitblijvende verdiensten, maar uit frustratie over de `onwerkbare' regels van het ministerie van Landbouw.

Nu zitten zij met de handen in het haar. Ze hadden afspraken met een biologisch zaadteeltbedrijf om hun tomatenkassen leeg te maken voor omschakeling. Maar Bart Vosselman hoorde vorige week dat hij twee jaar moet wachten op het biologische keurmerk van de semi-overheidsorganisatie Skal, dat hij daarvoor nodig heeft. Hij gebruikte weliswaar al elf jaar geen bestrijdingsmiddelen in zijn kassen, maar dat bleek – na maanden heen en weer praten – volgens de regels van Skal en het ministerie van Landbouw niet voldoende bewezen te zijn. De familie Vosselman, die naar eigen zeggen niet langer kan teren op de opbrengst van de drie hectare grond die ze hebben verkocht als natuurterrein, overweegt nu weer een winkel aan huis te openen. Verkopen zullen ze het bedrijf niet. ,,Ik ben hier geboren'', zegt Bart Vosselman, ,,ik ben tuinder''. En eerlijk is eerlijk: ze denken nog steeds aan de honderden klanten en buren die op de afscheidsreceptie kwamen, treurig om het gemis van de smaak waaraan ze gewend waren.

Het dilemma waar Vosselman mee zit, wordt gedeeld door tienduizenden boeren in Europa. Ze vragen zich af of ze moeten stoppen of dat ze beter kunnen overschakelen. En, zo ja, met welke activiteit ze dan op de vrije markt kunnen overleven. In sommige landen, zoals Oostenrijk, heeft dat al geleid tot een wijdverbreide praktijk van bijverdiensten – als gids in de bergen, skileraar of campinghouder. Ook in Nederland is de boer zoekende, evenals zijn collega's in Frankrijk en in Italië. Als een boer niet kan uitbreiden, is de vuistregel, moet hij uitwijken: naar een ander land, een ander gewas of dier, of naar een andere baan. In Nederland lag het aantal boeren na jaren gestage afname vorig jaar nog op 92.000.

Het verhaal van de zoekende tuinder bevestigt het ingesleten beeld van de boer als slachtoffer, de eeuwig miskende, altijd doorvechtende Don Quichot. Ooit was de vijand een ridder, stedeling of herenboer. Fameus is de opstand van knechten in het Groninger Oldambt tegen de herenboeren, nauwelijks een eeuw geleden, beschreven in het boek De Graanrepubliek van Frank Westerman.

Nu is de tegenstander in de eerste plaats de alomtegenwoordige en bureaucratische overheid. De ironie is dat diezelfde overheid, met name `Brussel', via subsidies vaak een belangrijke bron van inkomsten is. Dat leidt soms tot bizarre situaties. De afgelopen maanden trokken in Griekenland woedende katoenboeren op tegen de bemoeienis van Brussel, terwijl de nationale regering hen wanhopig trachtte uit te leggen dat de Europese Unie juist bijna exclusief voor hen een subsidiebeleid voor katoen heeft. Niet alle sectoren krijgen subsidies: in Nederland zijn bijvoorbeeld de tuinbouw en de bio-industrie zonder subsidies uitgegroeid tot sterke sectoren die veel exporteren. Maar ook door die boeren wordt de veelheid aan regels over voedselveiligheid, milieubescherming en dierenwelzijn als een kostenverho- gend en vermoeiend keurslijf ervaren.

Veel Europese boeren zijn vastbesloten om door te gaan zolang het kan. Legio zijn de trotse verwijzingen naar de eigen identiteit als boer en als voedselleverancier, aan wie de klant zich heeft gehecht, tot tranen aan toe. De boer is de laatste overlever uit de categorie waartoe eens ook de priester en de dokter behoorden, schreef eind vorig jaar Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hij had zich aan een essay over de boer gewaagd, voor landbouwminister Brinkhorst, die moeite had de `boerenziel' te doorgronden. De boer is doordrongen van een hogere roeping, concludeerde Schnabel. Hij mag niet opgeven, hij is zijn zwoegen verplicht aan de wereld, aan voor- en nageslacht. Hij heeft niet zomaar een baan die hij kan opgeven voor een betere. Hij moet, en wil blijven.

De vraag is echter steeds meer: wil de wereld de boer nog?

De Europese Unie in ieder geval nog wel, al was het maar om het leeglopende platteland in landen als Frankrijk, Spanje, en de aankomende lidstaten in Oost-Europa te onderhouden. De productiesubsidies worden ingekrompen, maar de EU houdt vast aan directe inkomenssteun voor boeren. Die steun wordt gegeven per dier, per hectare of, voor de kleinste boeren, op de simpele voorwaarde van hun bestaan, productief of niet.

Het beeld van de boer die een hogere roeping heeft, is door Europa zelf langdurig bevestigd – vanaf het moment dat de landbouw in 1962 als eerste onderwerp van gemeenschappelijk beleid werd gekozen. Boeren golden als het slot op de vrede op het continent. Hongervrij en zelfvoorzienend, met een boerenstand die door prijs- en inkomensbeleid door de Europese gemeenschap van een regelmatig inkomen was verzekerd, zou oorlog voortaan uitblijven.

Vanuit dit vredesideaal was de Groningse ex-herenboer en socialist Sicco Mansholt in de jaren zestig als Eurocommissaris de drijvende kracht achter de steeds meer producerende, rationeler opererende en grootschaliger landbouw. Die schaalvergroting leidde in de jaren tachtig tot de bekende schrikbeelden: boterbergen, melkplassen en een milieuverstikkend mestoverschot gaven de boer de naam van een productiezieke verkwister en vervuiler.

Dat imago veranderde niet toen de overschotten onder nieuw Europees regime begonnen te verdwijnen. Integendeel: de bio-industrie bleek een tijdbom onder zichzelf en de samenleving te hebben gelegd door koeien als krachtvoer tot meel vermalen resten van andere koeien te geven. Daardoor werd de Europese runderstapel geïnfecteerd met de gekkekoeienziekte, BSE, en hebben bij mensen besmettingen plaatsgevonden met de dodelijke hersenziekte Creutzfeldt Jakob.

Europese boeren hebben – in tegenstelling tot hun Amerikaanse collega's – van oudsher geen reputatie van grootschalige ondernemers, industriëlen en vernieuwers. In de literaire verbeelding en de schilderkunst figureren zij met twee gezichten. Nu eens zijn boeren door primitieve driften gedreven oermensen, materialistisch en van nature gekant tegen vernieuwing en sentiment. De Franse naturalist Emile Zola geeft in zijn boerenroman La Terre kort voor 1900 een veelzeggende simultaanbeschrijving van een vrouw en een koe die gelijk bevallen – waarbij de boer voor de koe nog wel een arts wil bekostigen.

Dan weer, doorlopend van de Romeinse Georgica van Vergilius, via de stadse Franse dame Georges Sand halverwege de negentiende eeuw en tot Geert Maks recente reis naar de verdwenen god van Jorwerd, komt de boer voor als vertegenwoordiger van het idyllische, harmonische landleven.

De maatschappelijke waardering voor de boeren neemt in de jaren negentig verder af. De beelden van massa's dode varkens in de grijpkranen tijdens de varkenspest in Nederland in 1997 leidden tot publieke weerzin tegen de bio-industrie. Een comité Varkens in Nood wierp zich op om de elf miljoen varkens van Nederland te verdedigen tegen de boeren die de dieren als louter handelswaar zouden zien.

Tijdens de mond- en klauwzeercrisis vorig jaar lagen de verhoudingen anders. De brandstapels van koeien, schapen en varkens in Engeland en de beelden van huilende melkveehouders in Nederland maakten een dubbele reactie los. Enerzijds kwam er verzet tegen de vooral economische motieven om bij een uitbraak van een besmettelijke ziekte dieren liever uit voorzorg te doden dan uit voorzorg te vaccineren. Anderszijds werd nadrukkelijk `meegeleden' met de boeren die hun koeien verloren.

Dat wijst niet op een wereld die boeren echt weg wil hebben. Eerder lijkt een `nieuwe' romantisering van de boer op komst: hij is goed, op voorwaarde dat hij lief is voor de beesten, en alles durft te laten zien. Koeien moeten buiten lopen, en in varkensstallen verschijnen webcams om te laten zien hoe goed het dierenwelzijn daar is.