Waar blijft nou de groene revolutie?

De landbouw in Nederland heeft nog wel toekomst, vindt milieudeskundige Lucas Reijnders, want de boer is innovatief genoeg. Wel moet de productie aan strengere eisen voldoen. Overigens blijft hij van mening dat de derde groene revolutie niet vroeg genoeg kan beginnen.

Misschien is de landbouw in Nederland wel het begin van àlles: de voorspoed, de tegenslag en ook de aanblik van het land. Vanaf de tiende eeuw wordt tussen de Zuid-Hollandse duinen en de Utrechtse heuvelrug twee eeuwen lang het laagveen ontgonnen en tot bouwland gemaakt. Het leidt tot rijkdom maar ook tot rampspoed: de akkerbouw verteert het veen, en maakt zichzelf met een stijgend grondwaterpeil weer onmogelijk. Inklinking van het veen leidt tot landverlies in Holland, Utrecht en Gelderland en het ontstaan van het huidige IJsselmeergebied. Een paar eeuwen later redden molens het resterende veenland, dat alleen nog geschikt is voor extensieve veeteelt. Het arbeidsoverschot dat daardoor ontstaat, draagt weer bij tot het ontstaan van de steden in West-Nederland. En de rest is, alweer, geschiedenis.

Dit scenario wordt hink-stap-sprong beschreven door milieudeskundige Lucas Reijnders in een bijgewerkte uitgave van Het boerenbedrijf in de Lage Landen (uitg. Van Gennep). De eerste editie, uit 1997, eindigde met de roep om de `derde groene revolutie': die ,,kan niet vroeg genoeg beginnen''. Vijf jaar later is die conclusie onveranderd. Reijnders heeft wel wat weg van de Romeinse senator die elk betoog besloot met: `En overigens ben ik van mening dat Cartago verwoest moet worden'. Onderwijl wint het debat over de vraag of er toekomst is voor de landbouw in Nederland, en zo ja welke, nog steeds aan actualiteit. Reijnders, oud-profeet van de milieubeweging en tegenwoordig hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam, neemt in dat debat een tegelijk radicale en gematigde stelling in. Gematigd, want de landbouw kan in principe wel blijven, meent hij, als zij zich maar richt op `kwaliteitsproductie'. Aan de boer hoeft het niet te liggen, vindt Reijnders, die is vindingrijk genoeg. Radicaal, want de overheid moet de de productie-omstandigheden aan veel strengere eisen onderwerpen. Reijnders heeft zijn hoop gevestigd op wetten die koeien verplicht laten grazen, kippen laten scharrelen en schadelijke bestrijdingsmiddelen verbieden, op milieuheffingen en belastingen, op doorberekening van voedselcrises aan de verantwoordelijke producenten en op overheidssubsidies voor natuurbeheer.

In het historische deel van Het boerenbedrijf ontpopt Reijnders zich als onderhoudend verteller, waarbij hij overigens vrijwel uitsluitend verwijst naar secondaire literatuur tot 1996 (dat gedeelte is blijkbaar niet bijgewerkt). Nergens en nooit, schrijft hij, hebben ondernemende boeren zoveel succes gehad als in de Lage Landen, Vlaanderen incluis. De plaats van boeren in de verstedelijkende samenleving geeft hij reliëf door rijkelijk te citeren uit poezie, literatuur en schilderkunst. Helaas komen boeren daarbij zelf nauwelijks aan het woord.

Af en toe dringt het engagement van Reijnders zich nadrukkelijk op, zoals wanneer hij de laat-achttiende-eeuwer Willem Bilderdijk opvoert. Gretig beaamt hij Bilderdijks klaagzang, dat het fraaie adagium dat Nederlanders hun land zelf geschapen hebben, er in feit op neerkomt dat zij het ,,op allervernufstigste wijze bedorven hebben, om er eindelijk mee te verzinken''. Zeker als de opwarming van de aarde doorzet, meent hij, zal de verlaagde ligging als gevolg van bedijkingen en overexploitatie Nederland nog bekomen.

Uiteindelijk vormen geschiedenis, heden en toekomst bij Reijnders een hecht, samenhangend geheel. De oproep tot een `derde groene revolutie' uit de laatste zin wordt landurig voorbereid met het aanduiden van de eerste en de tweede. De eerste bestond volgens Reijnders uit de spectaculaire intensivering en specialisatie in de dertiende tot vijftiende eeuw, nauw gelieerd aan de opkomende banden met de stad en de ontdekking van mest. Na 1880 speelt zich de tweede af, getekend door de opkomende rol van overheid, wetenschap en afzet-industrie. Over de recente geschiedenis van subsidies, kunstmest, melkfabrieken, coöperaties en boerenbonden treedt Reijnders opvallend genoeg nauwelijks in detail. In het tweede deel van het boek maakt de beeldende vertelling geleidelijk plaats voor het betoog, het aan de kaak stellen van misstanden en schetsen van noodzakelijke uitwegen. Voor het boerenbedrijf betekent de derde groene revolutie in zijn ogen het omarmen van de ecologische landbouw.

Reijnders wekt overigens niet de indruk die revolutie sinds de eerste druk van zijn boek dichterbij te hebben zien komen. Integendeel. Maatschappelijke beroering over de veehouderij, mond-en klauwzeer en BSE ten spijt, is bijvoorbeeld het aantal salmonella-besmettingen van kipproducten vorig jaar tot record-hoogte gestegen: 44 procent, onderstreept Reijnders. Na de terugval tijdens de varkenspest in 1997 waren de varkenshouders in no time weer terug op het oude aantal varkens: 13 miljoen. Het is, aldus Reijnders, business as usual. Ondertussen houdt de regering van Nederland vol dat de markt moet zorgen dat alles in orde komt. Nee, dat ziet er niet gunstig uit. En dat terwijl de derde groene revolutie...