Vanmorgen is de lente geboren

Bijna een jaar geleden, op 15 april 2001, overleed op 49-jarige leeftijd Joey Ramone. Hij was de oprichter en zanger van de Amerikaanse groep The Ramones, die verder bestond uit Johnny, Dee Dee, Tommy en Marky Ramone. Allemaal pseudoniemen. Net als Joey allemaal gestoken in afgetrapte gympies, gescheurde spijkerbroeken, witte T-shirts en zwarte leren jekkies. Tussen 1975 en 1995 maakten ze naam met muziek die je minimal punk zou kunnen noemen: korte en eenvoudige gitaarnummertjes, strak en snel, van hooguit twee en een halve minuut, gebaseerd op hooguit drie akkoorden, in een hoog tempo achter elkaar gespeeld, steevast ingeleid door `One, two, three, four' en onderweg meestal opgezweept met een welgemeend `Gabba Gabba Hey', danwel `Hey Ho Let's Go'.

Bij de dood van Joey Ramone haalde Herman Koch in zijn column in de Volkskrant herinneringen op aan die ene keer, in 1978, dat Joey `bij ons thuis' zou hebben gegeten. Na een optreden in Paradiso had Koch hem uitgenodigd. Moeder Koch had ravioli gemaakt, vader Koch was niet thuis. Tijdens de maaltijd werd er niet gesproken. Joey Ramone zei alleen `Gabba Gabba Hey' en twee minuten en dertig seconden later was zijn bord leeg. Daarna gingen de jongemannen naar het balkon. Amsterdam-Zuid, driehoog, uitzicht over bomen en tuinen, zonsondergang. `Vogels met takjes in hun snavel vlogen op en neer tussen de boomkruinen. Het was mei.' In de zwijgzame Joey Ramone begon zich op dat moment iets te roeren. Hij `strekte zijn arm uit, alsof hij een volgend nummer ging aankondigen', zo merkte Koch op. Wat zou de bleke broodmagere Amerikaanse punkzanger met het beperkte repertoire gaan zeggen nu hij kennelijk door iets was aangedaan? Dit was wat hij uitbracht: `Hebban olla vogala nestas?'

Koch stelde droogjes vast dat deze eerste poging van Joey om een Nederlandse zin te maken `niet direct goed of fout te rekenen' was. De zin deed hem `in de verte' denken aan `een soort monniken-Nederlands uit 1100 of daaromtrent.' Veel zin om zijn gast op zijn fouten te wijzen had hij niet. Het was een mooie avond, en dus besloot hij Joey eerst maar eens te antwoorden: ,,`Net olla vogala', zei ik. `Bijpaar vier vogala mutten noch een geschikte beumtak zoecke fur die nesta.' Joey Ramone verzonk even in gepeins. Daarna knikte hij mij toe en glimlachte ten teken dat hij mij had verstaan.''

Het was een mooi moment, ontroerend zelfs, maar tegelijk natuurlijk ook hilarisch: over een kleine negen eeuwen heen werd hier gereikt naar het begin van het Nederlands. Omstreeks 1100 schreef een Zuidwest-Vlaamse monnik, te werk gesteld in de abdij van Rochester, op een blad papier, temidden van allerlei andere krabbels: `hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu'. Zijn woorden zouden pas in 1931 teruggevonden worden, en iets later pas herkend als een allereerste vorm van het Nederlands. Had de monnik zomaar wat geschreven, om de pen te proberen? Of, zoals het een kopiist betaamt, een regel uit een bestaand liedje overgenomen? Wilde hij een taalspel spelen met het omringende Latijn? Gebruikte hij symbolen die toen gangbaar waren (vogel is monnik, nest is klooster)? Of sprak hij hier werkelijk namens zichzelf en moest in zijn regels een oprechte verzuchting worden gelezen: heimwee naar Vlaanderen misschien, of verlangen naar een geliefde?

Het is en blijft een wonderlijk tekstje, met een wonderlijke achtergrond, omgeven door een zweem van geheimzinnigheid: mogelijk begin van een taal, en van een literatuur, de geest van mei en eerste verzen, nestjes bouwen, verliefdheid, uitvliegen, nieuwe lente en een nieuw geluid. Er moet iets aantrekkelijks in schuilen: deze dertien woorden bereikten vorig jaar de 29ste plaats in de door lezers samengestelde tophonderd van liefdesgedichten (in de bloemlezing Het liefste gedicht), en nog wel vóór Raymond van 't Groenewoud, Judith Herzberg, Jan Hanlo en André Hazes.

Het stramien van `Hebban olla vogala' is ook terug te vinden in Richard Minnes gedicht `Brief': `Vanmorgen is de lent geboren: / waarom laat gij uw stem niet horen? / Mijn penne schrijft het u schier al, / (zij klapt mij uit in 't breed en 't smal), / of raaskalt ze u te luid in de oren?' De eerste twee regels lijken wel een parafrase van het ongeduldige monniksvers: vandaag is de lente geboren, dus waarom hoor ik nog niets? De vermelding van `de penne' en van het schrijven zouden een toespeling op het beroep van de middeleeuwse kopiist kunnen zijn. Bij het `uitklappen' en het `raaskallen' zou je, met wat associatieve omwegen althans, aan `olla vogala' kunnen denken. En verder hangt er, zeker voor wie niet met het Gentse dialect van Minne is opgegroeid, eenzelfde geest van vervreemding omheen, en dezelfde charme van het onbekende.

Lijkt in de eerste regels nog een verliefde lentedichter aan het woord, onstuimig en opdringerig – naarmate het vers vordert neemt de bezinning toe. Hier spreekt iemand die eenzaam en droevig de winter is doorgekomen, en nu maar hoopt dat de opgelopen slijtage (`de wintersleet') weer ongedaan gemaakt zal kunnen worden: `'k Ben eenzaam, meer dan ge 't vermoedt, / meer dan het mag en meer dan 't moet, / al trekt de zon hier in de hoven / het sap achter de bast naar boven / en maakt de wintersleet weer goed.' Van een aanvallig en ongeduldig vers gaat het binnen enkele regels over in een klacht en een verzuchting en daarna in een bange vraag: ik val u toch niet te steeg, te zwart, te tegendraads, te hard?

Langzaam trekt mismoedigheid het vers binnen, en dan volgt al snel de droevige slotsom: dat ook deze zonnige lentedag weer geen brief heeft gebracht, en dat ook deze dag dus al weer afgeschreven kan worden en toegevoegd aan de lange rij (de reek) van antwoordloze dagen. `Of val ik u te steeg, te zwart, / te tegendraads misschien, te hard? / Welnu, dat deze dag dan ga, / naast de andere in de reke sta / en stilte stapele op mijn hart.' Overal rondom is de lente begonnen, en de zon trekt in de hoven het sap achter de bast alweer naar boven, maar hier nog steeds geen teken van leven.

Aan het slot zien we Minne zijn best doen om maar te berusten, en zijn gedicht van een paar mooie slotregels te voorzien. Dat lukt, met die drie subtiele conjunctieven (ga, sta, stapele), het sterke stafrijm in `stilte stapele' en het knullige, maar toch ook wel weer aardige rijmpaar `hard – hart'. Maar er blijft duidelijk iets schrijnen in dit merkwaardige, langzaam zich terugtrekkende en verstillende liefdesgedicht.

Minnes brief zou een antwoord kunnen zijn, over vele eeuwen heen, van de ene West-Vlaamse dichter, uit de omgeving van Gent, aan de andere, uit de omgeving van Ieper, verdwaald in Rochester indertijd. Mooie gedachte. De brief is te lezen als een wijze en herfstige voltooiing van wat ooit zo springerig en lentelijk begon. Ook mooi bedacht. Maar het is niet erg waarschijnlijk dat Minne het Middelnederlandse tekstje kende toen hij deze regels schreef. En ook wel aardig om te weten: de brief ging vermoedelijk helemaal niet naar een trots zwijgende geliefde met wie de wanhopige Minne wel een nestje zou willen bouwen, maar gewoon naar meneer Raymond Herreman, de vriend die de wankelmoedige Minne vaak brieven stuurde om hem moed in te spreken. Minne was getrouwd en had toen hij zijn `Brief' schreef allang zijn nesta hagunnan, maar hij had er van tijd tot tijd, voor wat aanspraak in de stille uren, graag wat extra vogala bij.