Sopraan

Zuster Allegonda wordt 95 jaar. In haar rolstoel gezeten luistert ze aandachtig naar een toespraak. Ze heeft nog maar weinig haar, zodat de sluier scheef op haar hoofd staat. Ondanks dikke brillenglazen ziet ze bijna niets meer. De tandeloze mond beweegt onrustig. Magere armen, magere benen. Als moeder-overste een toast op haar uitbrengt, zingt ze voor de medezusters, met heldere stem en zonder haperen, drie coupletten van een Frans religieus lied. Ze doet het met inzet en zichtbaar plezier. Overdag klinkt haar lied vrolijk en dan weer ingetogen uit de kamer waar ze vele uren zit met de rozenkrans in haar handen. Ze zingt ook 's nachts, zegt ze, als ze niet kan slapen, maar dan heel zachtjes, om niemand te storen.