Schrijvend zionist

De Nederlandse joden vormden een zuil en hoe gedifferentieeerd daarbinnen ook werd gedacht, het engagement met het jodendom trad altijd op de een of andere manier op de voorgrond. Zoals de katholieken hun schrijvers hadden: Anton van Duinkerken, Antoon Coolen, zo hadden ook de joden hun schrijvers: Carry van Bruggen, Sam Goudsmit, Siegfried E. van Praag.

Als je honderdentwee wordt dan is het vrijwel onvermijdelijk dat je al geschiedenis bent bij het leven. Dat geldt voor Siegrid van Praag die, geboren in 1899, onlangs is overleden. Zijn actieve schrijversbestaan lag tussen de jaren twintig en zeventig van de vorige eeuw en de consequentie van die periode bracht met zich mee dat het in twee delen uiteenviel: dat van vóór en na de holocaust. Wellicht was het zijn studie geweest die hem er voor de oorlog toe bracht veel aandacht aan het Franse hofleven te besteden. Over de kwaliteit van bijvoorbeeld zijn roman Madame de Pompadour was de literaire paus van die jaren, Menno ter Braak, niet erg te spreken. Van Praag was volgens Ter Braak ,,geen voorbeeld van een eersterangs auteur; zijn kennis van het tijdvak van Lodewijk XV is niet onaanzienlijk, maar wordt toch voorgedragen met de zoetvloeiendheid van iemand die zich er stevig van bewust is al deze decadentie te moeten stileren voor de gemiddelde en nog eens gemiddelde nieuwsgierige lezer; een tikje perversiteit, een tikje humor.... van de behoefte aan moraal is hier niet veel te bespeuren, noch van de Joodse erfenis; bij Van Praag vindt men het habiele kosmopolitisme van de universele litteraat, dat handig is en neutraal en zich geheel heeft aangepast bij de smaak voor de erotische Kleinmalerei.'' Wat Ter Braak Van Praag verwijt is dat diens boek (boeken) het noodlotselement missen.

Ter Braak had waarschijnlijk gelijk: Van Praags werk in die tijd bevatte geen eeuwigheidswaarde. Het behoorde tot het soort boeken dat met enige spanning wordt gelezen en vervolgens weer snel wordt vergeten; dat, zoals Ter Braak schreef, ,,na hoogstens twee seizoenen wordt verdrongen door het nieuwe gemiddelde, de nieuwe laatste geur.''

Het is bekend dat Ter Braak van een joodse schrijver verlangde dat zijn werk iets `authentiek joods' zou uitstralen. Daarom bewonderde hij Kafka. Maar tientallen andere joodse schrijvers, zoals Leon Feuchtwanger, Jakob Wasserman, Emil Ludwig, sabelde hij neer omdat zij volgens hem gemiddelde literaten waren. Was Ter Braaks norm voor aanvaardbaar schrijverschap in praktijk gebracht, dan waren er nog geen vijf titels per jaar in de boekhandel verkrijgbaar geweest. Meesterwerken mogen dan niet geheel in vergetelheid raken, na één of twee generaties worden ook deze alleen nog door een paar literaire freaks gelezen en draait de boekhandel op de top-tien van de maand.

Intussen was het ook niet waar dat het werk van Siegfried van Praag zo weinig joodse elementen bevatte. Al afgezien van het feit dat hij de eerste was die in Nederland de aandacht vestigde op Kafka, publiceerde hij in 1926 de studie De west-joden en hun letterkunde sinds 1860.

De opkomst van het nazi-antisemitisme dwong iedere jood onvermijdelijk zich rekenschap te geven van zijn kwetsbare positie. Bij Siegfried van Praag leidde dat tot de keuze voor het zionisme. In 1936 verhuidsde hij naar Brussel en tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde hij in Londen, waar hij medewerker werd van de Belgische omroep. Helaas heeft Ter Braak niet meer meegemaakt hoe de noodlotservaring het gemeengoed van bijna alle Europese joden werd - ook van Van Praag, wiens literaire activiteit zich voornamelijk op het joodse lot-noodlot ging richten. Zijn boek Jeruzalem van het Westen (1961) dat het leven van joodse Amsterdammers tot onderwerp heeft, vormt misschien het hoogtepunt van Van Praags schrijverschap. Drie jaar geleden is een nieuwe druk van dit boek verschenen, waarmee de stelling van Ter Braak, dat boeken van een literaat als Van Praag eendagsvliegen zijn, wordt gelogenstraft.