Puber troeft Indringer af

Het televisiedebat van gisteravond laat zich ook recenseren als een toneelstuk van vijf heren. Fortuyn gedroeg zich als de Indringer in een stuk van Harold Pinter, maar speelde die rol niet goed genoeg. Daarom kon de Opstandige Puber toeslaan.

Vijf mannen in pakken zitten enigszins ineengezakt aan een tafel. Ondanks wat onderling gekibbel vormen ze een hechte eenheid, al jaren samen. Is het familie? Ze lijken op elkaar, in hun saaie donkere pakken met rode dassen. Dan schuift een zesde man aan. Hij is anders. Hij heeft een luide, hoge stem, een fleurig, modieus pak. Hij spreekt de taal van de straat, maar met een aangeleerd geaffecteerd accent. Een nouveau riche, een sociale klimmer, een onruststoker.

Pim Fortuyn speelde gisteravond in Rotterdam wederom met veel flair de hoofdrol in Het Lijsttrekkersdebat, Hij is De Vreemdeling; de indringer die, als in de stukken van Harold Pinter, de vastgeroeste verhoudingen binnen een hechte gemeenschap op scherp stelt en onderliggend ongenoegen bovenhaalt. Tijdens de première in Amersfoort, twee weken geleden, had dit politieke stuk nog te lijden onder onevenwichtig spel. Ad Melkert, ongemakkelijk in zijn rol van Vader Eén die zijn positie voelt wankelen, was geregeld zijn tekst kwijt en weigerde zijn tegenspeler aan te kijken. Ook de anderen gaven natuurtalent Fortuyn geen tegenspel, zodat hij alle ruimte kreeg om te schitteren.

Nu, in de reprise, is het ensemblespel veel hechter. Het decor is ook beter. Geen grote ronde tafel waardoor de spelers te ver van elkaar zitten, maar een kleine tafel, subtiel omrand door een paars rouwkleed, waaraan de mannen dicht opeen zitten te zweten. Als verwijzing naar de terugkeer van de oude verhoudingen, zitten de linkse helden links en de rechtse helden rechts. De mannen zijn beter op elkaar ingespeeld, De Vreemdeling gaat veel meer op in de rest. Dat is ook een verlies; hij wil zo graag bij de anderen horen dat hij hun kleur aanneemt. Ook denkt de sterspeler nu reeds op zijn lauweren te kunnen rusten. Op verschillende momenten laat hij de ruzies voor wat ze zijn en verdiept zich in zijn tekstboek; een vervreemdingseffect ontleend aan theatervernieuwer Jan Joris Lamers.

Wederom toont hij zich de superieure komiek. Als Paul Rosenmöller hem verwijt Amerikaanse toestanden in de gezondheidszorg te willen, hoont De Vreemdeling: ,,Jongen, je bent nog nooit in Amerika gewéést.'' Zijn rol krijgt enige diepte in sneren als: ,,Dat gedoe van bij elkaar op schoot zitten is het óók niet, hoor. Beetje kléf.'' Waarmee hij zich even het eenzame jongetje toonde dat afgunstig is op de hechte club waartoe hij nooit zal behoren.

Melkert is beter op dreef, maar hij heeft toch een te krachteloze uitstraling. Hans Dijkstal, als Baas Twee, speelt, om zijn waardigheid te behouden, heel klein. Zachtjes zegt hij redelijke dingen. Als hij kritiek krijgt op een onduidelijk antwoord, stapt hij even naast zijn rol en zegt: ,,Dat was een vrij lange zin, dat is waar, maar wel een goede.'' Zijn spel was echter te subtiel voor een grote show als deze.

Doordat De Vreemdeling het enigszins laat afweten, kan Paul Rosenmöller, als de Opstandige Puber, zich op de voorgrond spelen, vasthoudend met felle uithalen. Een aardige vondst is om in de toegift een scène uit de nabespreking te doen, waarin Rosenmöller De Vreemdeling verwijt te veel theater te maken, wat een merkwaardig verwijt is aan een getalenteerd acteur. Dat Fortuyn vervolgens beledigd zijn zendmicrofoon afdoet, is een te groot theatraal slotakkoord dat niet duidelijk genoeg voortvloeit uit de handeling.