Meer dan nobel

Speculaties over Otto Franks contacten met de Wehr- macht en met de man die het Achterhuis zou hebben verraden, veroorzaakten veel opwinding. Kunnen die speculaties de toets der kritiek doorstaan?

Alsof er sprake was van een nationale ramp, zoveel zendtijd besteedde het 8 uur Journaal vorige week dinsdag aan de publicatie van de biografie van Otto Frank. Het was niet de eerste keer dat de media zo'n excessieve aandacht gaven aan de nagedachtenis van Anne Frank. In 1998 was er al de rel over de vijf pagina's uit het dagboek die een medewerker van het Amerikaanse Anne Frank Center, Cor Suijck, slechts tegen financiële vergoeding wilde afstaan. Even grote opwinding ontstond er toen een documentairemaker enkele jaren geleden een paar seconden film terugvond waarop Anne Frank uit het raam van haar huis op het Merwedeplein keek. De ophef over de biografie van vader Frank bevestigt opnieuw de heiligheid van alles wat met Anne Frank verband houdt.

De heiligverklaring van Anne Frank is vaak op het conto van haar vader geschreven. Hij maakte zich sterk voor de uitgave van het dagboek en beijverde zich voor de oprichting van de stichting aan de Prinsengracht, die sinds de oprichting in 1960 in Annes naam aan verbroedering tussen de volkeren en vorming van de jeugd moest bijdragen. Daarbij legde hij de nadruk op de universele betekenis van het lijden van zijn dochter en betoonde hij zich vergevingsgezinder tegenover de Duitsers dan menselijkerwijs mogelijk leek.

Elke heiligverklaring roept zijn ontheiliging op. Zo ook hier. De herinnering aan Anne Frank werd besmeurd door negationisten, die de echtheid van het dagboek in twijfel trokken. En er kwam kritiek op de universalistische moraal die aan het dagboek ten grondslag zou liggen. In 1997 ontketende de Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick een felle polemiek met haar aanval op de `oppervlakkige optimistische visie', die Otto op het dagboek gedrukt zou hebben, ten koste van de joodse dimensie van Annes lijden.

Het is niet duidelijk waar Carol Ann Lee's biografie van Otto Frank in dit verband geplaatst moet worden. Voor een deel is het boek van deze Amerikaans-Nederlandse publicist een verdediging van Otto Frank. Zij noemt hem `een visionair' en een man met een missie, die nooit in staat was degenen die hem naar het leven hadden gestaan te haten. Het leven van Otto voorafgaand aan de vlucht naar Amsterdam in 1933 vertoont nauwelijks een smet. Otto was opgevoed als kind van de Duits-joodse bourgeoisie, met een sterke hang naar Kultur en uitgebreide internationale contacten. In de Eerste Wereldoorlog maakte hij zich verdienstelijk in het Duitse leger. Terloops vertelt Lee dat Otto de Slag bij de Somme in 1916 overleefde – maakte dat geen verpletterende indruk op Otto? Klaarblijkelijk niet. In 1919 nam hij het bewind over van de door zijn vader opgerichte Michael Frank-bank. Twee jaar later opende hij een filiaal in Amsterdam, dat na drie jaar al weer moest sluiten. Otto wilde graag een gezin, en dat kwam er, maar het huwelijk was vreugdeloos. Na de geboorte van zijn dochters Margot en Anne ontpopte hij zich als een toegewijd vader, met een zwak voor Annes speelse natuur. In augustus 1933 vluchtte hij met zijn gezin naar Amsterdam, waar hij een groothandel in pectine, een grondstof voor jam, opzette: Opekta. Op de toenemende dreiging uit Duitsland reageerde Otto volgens Lee onveranderlijk waardig.

Herinnering

Het gevaar na de Duitse inval trad hij verantwoordelijk tegemoet door voorbereidingen te treffen om onder te duiken. Nadat het Achterhuis verraden was, overleefde Otto Frank Auschwitz, zonder klaarblijkelijk ooit in de duivelse dilemma's verzeild te raken waar veel andere overlevenden over vertellen. Nadat hij het bericht hoorde van de dood van zijn vrouw en kinderen, was hij weliswaar lange tijd volkomen wanhopig, maar richtte hij al zijn energie op de strijd voor de herinnering aan Anne en de strijd voor gerechtigheid. Dat hij in 1953 met een zenuwinzinking in het ziekenhuis werd opgenomen, lijkt voor Lee eigenlijk bijzaak in een beeld van Otto als het nobele slachtoffer, dat altijd bereid is gebleven tot vergeving.

Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is veel duisterder. Lee suggereert dat Otto's vergevingsgezindheid niet slechts voortkwam uit een nobele inborst maar ook uit chantage. Het verhaal zal na alle media-aandacht bekend zijn: in maart 1941 liet Otto zich tegenover de echtgenoot van een werkneemster enige onvriendelijke opmerkingen over Duitsers ontvallen, waarop de man een brief aan de NSB schreef om Frank te laten vervolgen. Enige tijd later kreeg Frank bezoek van de NSB'er Tonny Ahlers. Hij had goede contacten met de Duitsers en werd zelfs door zijn familie verafschuwd wegens zijn antisemitische gedragingen. In 1938 was hij al veroordeeld voor antisemitische geweldspleging tegen personeel van De Bijenkorf. Ahlers presenteerde Frank de brief met het verraad (hoe hij daaraan kwam blijft onbeantwoord), waarop Frank hem meer malen geld gaf en zaken met hem ging doen. Dit leidde er volgens Lee toe dat Ahlers op de hoogte was van Franks onderduikadres en de bewoners van het Achterhuis op de ochtend van 4 augustus verried, toen hij na de mislukking van zijn eigen bedrijfje geen nut van Frank meer had.

Lee maakt het beeld nog troebeler, door te betogen dat Frank handel dreef met de Wehrmacht en daardoor niet alleen het voortbestaan van zijn zaak verzekerde, maar zelfs een aardige winst boekte. Direct na de bevrijding had Frank contact met Ahlers, en Frank lijkt beloofd te hebben bij de autoriteiten voor Ahlers te pleiten, in ruil voor Ahlers stilzwijgen over Franks contacten met de nazi's. Zo droeg Otto Frank eraan bij dat degene die de dood van zijn vrouw en kinderen op zijn geweten had, hiervoor vrijuit ging.

Al deze speculaties werden in de media met veel opwinding gepresenteerd, maar zijn ze tegen kritiek bestand? Een van de problemen om dat vast te stellen, is dat Lee's boek vaak krukkig is vertaald. Het betoog springt ook ondoorgrondelijk heen en weer. Nog ernstiger is dat Lee geen noemenswaardig notenapparaat heeft opgenomen, maar wel met citaten strooit, waarvan niet is na te gaan waaraan die zijn ontleend. Bij andere citaten valt op te maken dat ze uit hun context zijn getrokken.

Dat blijkt bijvoorbeeld bij de beschuldiging dat Frank had gehandeld met de Wehrmacht en daar goed aan verdiend zou hebben. Dat blijken beweringen die gebaseerd zijn op verklaringen van Ahlers na de oorlog – misschien niet de meest betrouwbare bron. Het is overigens wel plausibel: het handelen met de Wehrmacht was in de eerste periode van de oorlog niet ongebruikelijk en de hele Nederlandse economie beleefde tot 1944 een periode van groei.

Ook maakt Lee niet duidelijk wat Ahlers wist van het Achterhuis. Het lijkt niet waarschijnlijk dat het zakelijke contact tussen Frank en Ahlers nog doorliep, nadat Frank was overgegaan tot een fictieve liquidatie van zijn bedrijf in september 1941 – officieus zette Frank zijn bedrijf voort – en zeker niet na zijn onderduik in juli 1942. Een argument vóór de stelling van Lee is dat Ahlers na de oorlog in een brief aan de Gestapo-officier die de arrestatie leidde, Silberbauer, liet weten al langer op de hoogte te zijn van het Achterhuis. Maar Ahlers blijft een problematische getuige. Lee laat bovendien na die cruciale brief, die ze wel noemt, te citeren.

Ten slotte is ook het motief dat Lee aan Ahlers toeschrijft niet erg overtuigend: zou Ahlers' bedrijfje werkelijk alleen van de contacten met Frank afhankelijk zijn geweest – en zou Ahlers Frank dus verraden hebben toen het failliet ging? Hielp de paar honderd gulden die hij kreeg voor het verraden van acht onderduikers hem werkelijk om ook maar een begin van een nieuwe start te maken?

Verraad

Blijft staan dat Franks naoorlogse bezoeken aan Ahlers en zijn openlijke verdediging van deze notoire nazi eigenaardig zijn, zeker als je bedenkt dat Otto twee dagen voor zijn eerste bezoek aan Ahlers het verpletterende bericht had ontvangen van de dood van Anne en Margot. Dat is inderdaad onbegrijpelijk, maar het zegt niets over Ahlers mogelijke verraad, wèl iets over Otto's terechte zorg dat de kennis over zijn Wehrmachtcontacten de `ontvijanding' van zijn Duitse status zou bemoeilijken.

Het laatste woord over het Achterhuis en zijn bewoners is dus nog niet gesproken, zoals dat heet. In dit geval is dat cliché wellicht gepast, omdat Anne Frank onderwerp is geworden van een iconenstrijd. Net als de hevige strijd over de echtheid van de splinters van het kruis en de lijkwade van Jezus, raken alle onderwerpen die met Anne verbonden zijn onmiddellijk verward in een hevige polemiek. Het tweede deel van Lee's boek geeft een moedeloos makend overzicht van ruzies, rechtszaken en verdachtmakingen tussen allerlei mensen die zich over Annes erfenis ontfermen. Opvallend daarin is, dat het verwijt dat vooral Otto Frank verantwoordelijk is voor de universalisering van het dagboek niet klopt – anderen, zoals het toneelschrijvers-echtpaar Hackett, droegen daar veel meer aan bij. Anderzijds wist ook Otto zich niet te onttrekken aan deze ruzies: al drie jaar na de oprichting van de Anne Frankstichting trekt hij zijn steun in en richt hij zijn eigen stichting op in Basel. Lee behandelt deze controversen in extenso, maar in plaats dat zij ze analyseert, illustreert haar boek veeleer het verschijnsel. Ook zij gaat zich te buiten aan enige giftige uitvallen, ditmaal aan het adres van Melissa Mueller, die net als Lee in 1998 een biografie van Anne Frank publiceerde. Verkettering schijnt erbij te horen, in een kerk.

Carol Ann Lee: Het verborgen leven van Otto Frank. De biografie. Balans, 407 blz. € 22,50