Maffia in het museum

Het culturele leven in Servië herstelt zich met moeite sinds de val van president Miloševic. Het gevolg van geldgebrek en lethargie.

Het gebeurde krap een jaar geleden. Ineens scheurden politiewagens met loeiende sirenes naar theater Rex. Uit de auto's sprongen zwaar bewapende agenten die de straat afzetten. Niet lang daarna verscheen er een limousine, met daarin een gewone man. Omringd door potige lijfwachten werd hij het theater binnengeleid. De andere bezoekers weken uiteen.

Bij Rex keken ze ervan op. Weliswaar hadden ze de hoge functionaris van het Joegoslavië-tribunaal zelf uitgenodigd voor het optreden van muzikant Ognjen en zijn vrienden, maar ze hadden niet verwacht dat hij daadwerkelijk zou komen opdagen. Binnen klapte het publiek – en niet veel later ook de functionaris van het tribunaal – zijn handen stuk.

De medewerker van het tribunaal kon zonder problemen in Rex verkeren, want het theater was `goed'. Zo ging dat in de Servische kunsten. Je was voor of tegen Slobodan Miloševic dat stond respectievelijk voor fout of goed. Rex was `goed'. In de jaren negentig werd het theater een verzamelplaats voor mensen die zich tegen het regime van president Miloševic keerden. Rex organiseerde politieke discussies en provocerende optredens, en bracht politiek geëngageerde kunst.

Het theater had een missie een missie die werd gefinancierd door het westen. Dat betaalde de Servische oppositie in de hoop Miloševic ten val te brengen. Zijn val liet op zich wachten, maar het was zover op 5 oktober 2000. Tienduizenden demonstranten trokken, voorafgegaan door drummers en trommelaars, naar het parlement en de staatsomroep. Niet veel later stonden beide gebouwen in brand.

Anderhalf jaar later is Belgrado een stad in vertwijfeling. Achter de nieuwe ramen in het gerestaureerde parlement klinkt het geruzie van de nieuwe machthebbers. Even verderop herinneren de restanten van het ministerie van Defensie en van het hoofdbureau van politie nog aan de NAVO-luchtoorlog om Kosovo in het voorjaar van 1999. Slimme bommen bliezen de voorgevels uit beide gebouwen. Vuilgrijze vitrage waait langs scherven glas, vloeren hangen scheef aan staalkabels. Een dreunende vuist die door het dak van een poppenhuis is gegaan.

Met het culturele leven in Belgrado is het niet veel beter gesteld. ,,Er is niets veranderd in het afgelopen jaar'', stelt manager Katarina Zivanovic van theater Rex misprijzend. ,,Hoe kan de kunst bloeien als de samenleving stil staat'', vraagt directeur Branka Dimitrijevic van het museum voor moderne kunst zich af.

Uitgever Dejan Ilic klaagt over de lethargie van de Servische kunstenaars. ,,We hebben de ruimte om te werken aan een betere samenleving, maar niemand gebruikt die ruimte. Heeft een Servische schrijver gepleit voor meer rechten voor minderheden? Nee!''

Incestueus

Het culturele leven in Servië is onder voormalig heerser Slobodan Miloševic op een flinke achterstand gezet en kunstenaars lopen die achterstand maar langzaam in. Katarina Zivanovic van theater Rex ging laatst naar een tentoonstelling van jonge studenten van de kunstacademie. Wat zag ze? Veel portretten. ,,Ouderwets. Naäperig. Geen van die studenten was in staat iets eigens te verzinnen.''

De kwaliteit van de Servische kunst is groot, zegt Katarina Zivanovic, maar meer dan vijftig procent is voorspelbaar. Kunstenaars, artiesten, muzikanten werken in een incesteuze omgeving. Ze vergelijken zich met elkaar en met zichzelf. Competitie ontbreekt.

Het is het gevolg van oorlog, isolatie en een cultureel embargo. In 1991 brak de oorlog met Slovenië uit, gevolgd door bloedige conflicten in Kroatië, Bosnië en Kosovo. In 1992 stelde het westen een culturele boycot in tegen Servië. Buitenlandse artiesten kwamen niet langer naar Belgrado. Servische kunstenaars konden op hun beurt niet meer naar het buitenland, want het Europese visumbeleid werd strenger en strenger. De meeste mensen die vertrokken, gingen illegaal om nooit meer naar hun verdoemde vaderland terug te keren.

Aanvankelijk leidde het cultureel embargo tot creatieve opwinding in de Servische hoofdstad. Nu moesten de kunstenaars immers alles zélf doen. Op het hoogtepunt van de oorlog in Bosnië, in 1994, openden alleen al in Belgrado vijftien jazzcafés hun deuren. In dat jaar waren meer dan tien bands en twintig jazzmuzikanten actief.

Maar festivalorganisator en jazzliefhebber Bojan Djordjevic begon zich al snel te vervelen. ,,We zagen altijd dezelfde muzikanten, met dezelfde muziek. Ze hadden ook niemand om zich aan te spiegelen, om mee te concurreren. We misten nieuwe geluiden.''

In 1995 werd de culturele boycot opgeheven en deed een enkele buitenlandse kunstenaar Servië aan. Maar in 1999 vielen de NAVO-bommen. Toen kwam er helemaal niemand meer.

Nu staat Slobodan Miloševic terecht voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag en zitten zijn voormalige tegenstanders op het regeringspluche in Belgrado. De minister van Cultuur was tot voor kort acteur. Maar zijn komst naar het ministerie heeft nog niet geleid tot een forse ommezwaai in de Servische kunsten.

Afgetrapt bureau

In de minuscule entree van het museum voor moderne kunsten zit de beveilingsbeambte. De krakende deur doet hem uit zijn middagslaapje opschrikken; het is lang geleden dat bezoekers zich aan zijn afgetrapte houten bureau meldden. Haastig schikt hij zijn jasje recht en gaat hij op zoek naar een potlood om de namen van de bezoekers op te schrijven.

Het museum ligt aan de Donau. Het gebouw grenst aan het voormalig kantoor van de politieke partij van Milosevic' vrouw en kijkt uit op Kalemegdan, het oude Turkse fort op de andere oever van de rivier. Kalemegdan staat op het kruispunt van de rivieren Donau en Sava; de bemanning op de schepen zag achter het grote fort een witte stad opdoemen. Daaraan ontleent de stad ook haar naam: `Beo grad', Witte stad.

Het museum telt een aantal veelhoekige zalen, met elkaar verbonden door brede trappen. Directeur Branka Dimitrijevic zou graag de marmeren vloer laten schoonmaken. ,,De laatste schoonmaakbeurt heeft in de jaren zeventig plaats gevonden.'' Maar ze heeft al amper geld om de opgeslagen kunstwerken naar behoren te conserveren. De vloer moet wachten.

De zalen zijn nagenoeg leeg. In een zaal ligt de gereedschapskist van een restaurateur uitgestald, in een andere zaal spuit een man voorzichtig een beeldje schoon. Eind maart moet een permanente tentoonstelling met Joegoslavische kunstwerken uit de twintigste eeuw worden geopend. Dan moeten ook de lekkages zijn verholpen.

Het vergaren en onderhouden van die kunstwerken zijn de belangrijkste taken van directeur Dimitrijevic. Of, in haar eigen woorden, collect and protect. Begrijp haar goed, graag zou ze meer tentoonstellingen organiseren, lesmateriaal maken, een podium zijn voor jong aanstormend talent. Maar daar heeft ze eenvoudig het geld niet voor.

Collect and protect – en de doeken hebben al veel te lijden gehad. Het museum is een constructie met veel glas. Tijdens het NAVO-bombardement op het nabijgelegen partijkantoor van Miloševic' vrouw werden die glazen puien uit hun sponningen geblazen. Van april tot oktober 1999 waaiden regen, roet en stof dwars door de zalen van het museum.

Een ander filiaal van het museum, in een dure Belgradose buitenwijk, werd door president Miloševic vergeven aan een van zijn vrienden. `Maffia', weet Branka Dimitrijevic . De maffia woont tot op de dag van vandaag nog in het filiaal. De medewerkers van het museum durven hen er niet uit te zetten.

Praat je over kunst en cultuur in Servië, dan praat je over geld. Of liever: over het gebrek aan geld. Servië verkeert in grote financiële problemen. Jaren van oorlog, corruptie en internationale sancties hebben hun tol geëist. Gepensioneerden krijgen hun uitkering te laat, ziekenhuizen zitten zonder medicijnen, scholen hebben geen computers. De nieuwe, Servische regering heeft wel iets anders aan haar hoofd dan de sponsoring van een tentoonstelling of een jazzfestival in Belgrado.

Verpleegsters

Was het tijdens het Miloševic-regime voldoende om voor of tegen Miloševic te zijn, om fout of goed te zijn dus, inmiddels drogen de buitenlandse hulpgelden op. De oppositie hoeft niet langer te worden gesteund. De demonstranten-van-toen zijn de machthebbers-van-nu. Er wordt nog wel geld gedoneerd, maar dat gaat naar de herbouw van kapotgeschoten bruggen en naar de achterstallige salarissen van verpleegsters.

,,We moeten marktgericht werken en winst maken. Dat is de grootste verandering sinds de val van Miloševic, aldus uitgever Dejan Ilic. Dat is geen gemakkelijke opgave, want de levensstandaard is laag. Het gemiddelde inkomen in Servië bedraagt tachtig euro per maand. Dat gaat eerder op aan de huur dan aan een boek.

Bovendien moet de Servische lezer, in de woorden van Dejan Ilic, worden `opgevoed'. Onder de communistische leider Josip Broz `Tito' kreeg hij communistische retoriek voorgeschoteld. Onder de oorlogszuchtige heerser Miloševic kon hij kiezen uit boeken die voor of tegen het regime waren. ,,En nu kan hij een product niet meer op zijn culturele of artistieke waarde schatten'', verzucht de uitgever.

`Sexy' zijn de onderwerpen schuld en verantwoordelijkheid daar kan een artiest op dit moment nog buitenlandse subsidie voor krijgen. Het leidt tot absurde taferelen. Laatst werd een theaterworkshop georganiseerd met dit thema. Goed hoor, maar met schuld en verantwoordelijkheid had het niets te maken.

Toch keren de onderwerpen vaak terug in de hedendaagse Servische cultuur. Weliswaar bezien vanuit Servisch perspectief en daarin is de Serviër al te vaak slachtoffer van de complotten van andere volkeren om hem heen. Hij staat daarin niet alleen; ook de Bosniërs, Kosovaren en Kroaten beschouwen zichzelf als slachtoffer. Niemand is de oorlog begonnen.

Nationalisme doet het goed in deze contreien; het onderwerp beheerst de bovenste regionen van de Servische boeken-toptien. Dat is niet verwonderlijk. Na vier verloren oorlogen in tien jaar moet Servië met zichzelf in het reine komen.

Die oorlogen zijn een dankbare inspiratiebron voor aanstormende jonge schrijvers. Michael Spasojevic, uit de uitgeversstal van Ilic, schreef een provocerend boek over de oorlogen in voormalig Joegoslavië. Het leverde hem goede kritieken op. Nenad Jovanovic publiceerde een zeer persoonlijk boek over het dagelijks leven in Servië tijdens de oorlogen. In de autobiografie ontbreken stoere avonturen – al is boodschappen doen ook een hele opgave onder de knoet van internationale sancties.

Jovanovic verkocht twintig boeken in zes maanden. Niet dat de Serviërs geen boeken wíllen lezen. De Servische hoofdstad Belgrado puilt uit van boekwinkels. Straathandelaren verkopen tweedehands boeken uit kartonnen dozen op de stoep. Nenad Jovanovic' probleem zit in het onderwerp. Serviërs houden van autobiografieën maar niet van Servische autobiografieën.

,,De Servische lezer is heel dubbel. De dagboeken van Bridget Jones vliegen de winkel uit, maar een Servische schrijver mag niet over persoonlijke dingen schrijven. Die moet schrijven over het voortbestaan van de Servische staat. Het belang van het collectief staat voorop'', aldus Dejan Ilic. Het is de erfenis van ruim veertig jaar communisme, gevolgd door twaalf lange jaren van nationalisme.

Wat nationalisme kan doen ondervond ook Branka Dimitrijevic van het museum voor moderne kunst. ,,We hadden een goede naam, maar die is volledig verruïneerd in de jaren negentig.'' In 1993 werd de directeur vervangen door een marionet van het Miloševic-regime. Al snel werd het Servische cultuurgoed een propagandamiddel om de bevolking te overtuigen van de suprematie van het Servische volk.

De nieuwe directeur kon de verse onafhankelijkheid van de voormalige Joegoslavische deelrepublieken Slovenië en Kroatië niet waarderen. Hij borg de Sloveense en Kroatische kunstwerken op en kocht niets meer aan, aldus Dimitrijevic. Ook de culturele contacten werden verbroken. Het museum voor moderne Joegoslavische kunst werd een museum voor moderne Servische kunst.

Diskjockeys

En toch. Langzaam opent het geïsoleerde, nationalistische Servië zich. Branka Dimitrijevic zoekt samenwerking met musea in Kroatië. Een Brits toneelgezelschap voerde onlangs Shakespeares Hamlet op – het theater raakte snel uitverkocht. Buitenlandse bands komen, soms zelfs de meest onwaarschijnlijke. De oude Andre – Black Godfather – Williams bijvoorbeeld (`come on and shake your tailfeather baby, twistin' shake it shake it shake it shake it baby'). Buitenlandse diskjockeys doen het nog beter. Techno, house, funk, bigbeat; ieder weekend is het wel ergens raak.

Geldgebrek hoeft kunst niet altijd in de weg te zitten. In het Studentski Kulturni Centar komen jonge kunstenaars regelmatig bij elkaar om te werken. Te vaak nemen ze potlood en papier mee (de door Katarina Zivanovic veroordeelde ouderwetse portretten), maar ja, dat zijn nu eenmaal de goedkoopste materialen.

Op een warme nazomeravond, enkele maanden na het bezoek van de hoge functionaris van het Joegoslavië-tribunaal aan Rex, vertoont het theater videokunst. De medewerkers van Rex, jongens en meisjes in grote broeken en T-shirts met opdruk, hebben de houten klapstoelen naar de straat gesjouwd.

Buiten hangt een videoscherm. Daarop is Amsterdam te zien, gefilmd vanaf de bagagedrager van een fiets. De fietser slalomt tussen de tramrails door, negeert rode stoplichten, zwaait naar de politie en wijst op een coffeeshop. ,,Goed hè'', glunderen de jongens en meisjes. Een buitenlandse artiest is al snel een held in Belgrado.

Binnen komt het bier in pijpjes. ,,Bier en wijn, andere dranken hebben we niet'', zegt de jongen achter het geïmproviseerde barretje. Je wijn in een plastic bekertje en je kont op een harde houten klapstoel en aanschouw het nieuwe, ontluikende culturele leven in Belgrado.