Liever het land verraden dan de vrienden

Hij heette `the most amusing man in Cambridge', maar zou de geschiedenis ingaan als de gewiekste spion van het Britse establishment.

Een nieuwe biografie probeert door te dringen tot de geest van Anthony Blunt.

Je land, je vorstin en ook nog een paar van je beste vrienden verraden. Waarom doet iemand zoiets? Die vraag blijft knellen sinds Anthony Blunt in 1979 publiekelijk werd ontmaskerd als sovjetspion. Deze steunpilaar van het establishment, vooraanstaand kunsthistoricus en gewaardeerd conservator van de koninklijke schilderijenverzameling, bleek na Burgess, Maclean en Philby de `vierde man' te zijn van de Cambridge Ring. Deze drie bentgenoten waren al geruime tijd geleden naar de Sovjet-Unie uitgeweken, Blunt daarentegen was tot zijn ontmaskering ongestoord en decennia lang al zijn maatschappelijke functies blijven uitoefen. Dat werd hem nog het meest kwalijk genomen: op deze manier had hij zijn land te kijk gezet. Zijn dubbelleven heeft sindsdien Alan Bennett geïnspireerd tot een prachtig toneelstuk (Single Spies), terwijl John Banville (The Untouchable), Brigid Brophy (The Finishing Touch) en John le Carré (Tinker, Taylor, Soldier, Spy) romans schreven waarin alter ego's van Blunt een hoofdrol spelen.

In talrijke studies is geprobeerd door te dringen tot de waarheid over Blunt, van het sensationele en speculatieve Mask of Treachery (1988) van John Costello tot het even gedegen als saaie The Crown Jewels (1998) van Nigel West en Oleg Tsarev. Het voorlopige hoogtepunt in dit genre is de fraaie karakterstudie van Miranda Carter. Zij schrijft goed, gaat zorgvuldig om met de feiten en toont een verfijnd gevoel voor proporties. Vooral die laatste kwaliteit ontbreekt vaak in de publicaties over Blunt, wiens levensloop nog altijd woede en verbijstering wekt. Deze biografe is doordrongen van het besef dat de vraag waarom Blunt deed wat hij deed, niet precies te beantwoorden is. Carters portret van de man en zijn beweegredenen is overtuigend omdat zij aannemelijk maakt dat Blunt zelf waarschijnlijk ook in het duister tastte als het om zijn eigen motieven ging.

Anthony Blunt werd in 1907 geboren als zoon van een predikant en ging na zijn schooltijd op Marlborough College in Cambridge studeren, aanvankelijk wiskunde, daarna kunstgeschiedenis. Zoals vele Britse zonen uit gegoede milieus raakte hij begin jaren dertig onder de bekoring van het marxisme. Een aantal studenten hield het niet bij een flirt, maar liet zich recruteren om inlichtingenwerk te verrichten voor de Sovjet-Unie. Blunt deed die stap in 1937. In 1940, toen Groot-Brittannië al een jaar in oorlog was met Duitsland, liet hij zich inlijven bij de inlichtendienst MI5 en begon berichten door te geven aan Moskou, op dat moment nog door een pact met Hitler verbonden. In totaal heeft Blunt ruim 1.700 documenten aan zijn opdrachtgevers geleverd, zonder dat precies duidelijk is welk belang die stukken hadden.

KGB

Vooral Nigel West en Oleg Tsarev hebben in hun boek nieuw materiaal uit Russische archieven openbaar gemaakt, maar ook die documenten geven geen uitsluitsel: ze zijn geselecteerd door de KGB. Onafhankelijke onderzoekers zijn in deze archieven niet welkom. Duidelijk is wel dat veel van de stukken die de leden van de Cambridge Ring doorgaven óf niet gelezen zijn (het waren er gewoon veel te veel) óf met ongeloof werden ontvangen. In Moskou bleef lange tijd de verdenking heersen dat het allemaal te mooi was om waar te zijn: deze zonen van het Britse establisment werden voor dubbelagenten gehouden.

Deed Blunt mee omdat hij, zoals bij Burgess, Maclean en Philby het geval was, als overtuigde marxist offers voor de goede zaak wilde brengen? Carter aarzelt, maar haar relaas laat niet veel ruimte voor een positief antwoord op die vraag. Blunt was een politieke onbenul, naïef en ongeïnteresseerd. Tijdens een reis door de Sovjet-Unie in 1935 toonde hij grote belangstelling voor architectuur en schilderkunst. De politieke en maatschappelijke werkelijkheid leek voor hem niet te bestaan. Ook zijn ontwikkeling als kunsthistoricus bevat weinig aanwijzingen dat hij een overtuigde marxist was. In de jaren dertig schreef hij `progressief' georiënteerde kunstkritieken voor de Spectator, maar zijn schematische jargon wekte de indruk dat hier toch vooral lippendienst aan een heersende mode werd bewezen. Al in 1940 begon hij zich in zijn Artistic Theory in Italy los te maken van dit vulgair-marxisme. In de jaren vijftig, toen zijn carrière een hoge vlucht nam – hij werd behalve conservator van de collectie in Buckingham Palace ook directeur van het kunsthistorische opleidingsinstituut Courtauld in Londen en hoogleraar in Oxford – nam hij in zijn werk nadrukkelijk afstand van de marxistische geschiedopvatting, die juist toen in Duitsland, Italië en Frankrijk opgang maakte.

Dronkenschappen

Blunt was geen politieke gelovige en de verklaring van zijn verraad moet wellicht meer worden gezocht in zijn trouw en volgzaamheid aan zijn dierbare vriend Guy Burgess, die hem recruteerde en met wie hij geruime tijd als duo opereerde. Deze overtuigde marxist was ook in andere opzichten zijn tegenpool. Anders dan de gereserveerde Blunt was Burgess in de omgang levendig, excentriek, indiscreet en opstandig in zijn afkeer van conventies. Hij stond alom bekend door zijn wangedrag en openlijke dronkenschappen. Burgess, in tegenstelling tot Blunt afkomstig uit een upper class-milieu, maakte van zijn homoseksualiteit al een manier van leven toen intiem verkeer met leden van hetzelfde geslacht nog bij de wet verboden was. Hij leerde Blunt de schaamte op dit punt te overwinnen. In 1940 droeg Blunt zijn Artistic Theory in Italy op aan deze vriend en in de herdrukken die verschenen nadat Burgess in 1951 naar de SovjetUnie was uitgeweken, verdween deze opdracht niet. Ook liet Blunt de achtergebleven bezittingen van zijn vriend opslaan in Courtauld en bleef hij diens bejaarde moeder geregeld bezoeken.

Je kunt beter, zo merkte Blunt eens op, je land dan je vrienden verraden. Het probleem was dat hij ook nog vrienden had die hun land trouw bleven en die hij dus wel moest bedriegen. Overigens werd hij ook zelf uiteindelijk door een vriend verraden. Nadat Burgess in 1951 was gevlucht, duurde het nog tot 1964 voordat MI5 een bekentenis van Blunt loskreeg. Beide partijen kwamen overeen te zwijgen: ook de geheime dienst bleef aldus zware kritiek bespaard. Pas eind jaren zeventig verklapte Goronwy Rees, die zich eind jaren dertig kort na Blunt in Cambridge door Burgess had laten rekruteren maar zich na een jaar al weer had teruggetrokken, dat Blunt veel op zijn kerfstok had. Rees had lang gezwegen, uit angst dat ook zijn eigen faux pas bekend zou worden als hij onthulde wat Blunt had gedaan. Maar toen hij eind jaren zeventig hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was, speelde hij zijn informatie door aan een journalist. Kort daarna bevestigde de juist gekozen premier Thatcher in het Lagerhuis de schuld van Blunt.

Aan einde van de Tweede Wereldoorlog had Blunt afscheid genomen van MI5 en aan Moskou duidelijk gemaakt dat hij van de band met de KGB af wilde. Hij liet zich echter overhalen om door te gaan, ditmaal als koerier van Burgess, die inmiddels een belangrijke functie had op het Foreign Office. Door dik en dun trouw aan zijn vriendje Guy?

Ontmaskering

Ook die verklaring voor het gedrag van Blunt voldoet maar gedeeltelijk. Carter laat zien dat zijn loyaliteit aan Burgess aan beperkingen onderhevig was. Toen Burgess in 1951 uitweek, werd Blunt in verband met het gevaar van zijn ontmaskering door zijn bazen in Moskou onder zware druk gezet zijn vriend te volgen. Hij weigerde: het idee afscheid te moeten nemen van zijn gerieflijke en prestigieuze bestaan was onverdragelijk. Zijn gevluchte kameraden hadden hun loopbaan geheel in dienst gesteld van hun inlichtingenwerk. Blunt daarentegen had zijn activiteiten als kunsthistoricus altijd opgevat als een bezigheid die los daarvan stond en voor hemzelf belangrijker was. Zijn spionagewerk deed hij erbij.

Ook was de band met Burgess waarschijnlijk minder intiem dan de buitenwereld veronderstelde. Ze woonden lange tijd in hetzelfde huis en deelden vaak hun minnaars. Maar volgens de getuigenissen van die vriendjes hadden Blunt en Burgess in seksueel opzicht niets met elkaar. Naar bed gaan met een intieme vriend, zo weet Carter aannemelijk te maken, daar hield Blunt niet van. Seksueel was hij vrijwel alleen geïnteresseerd in vluchtige contacten. Emoties waren er om onder controle te houden. Al tijdens zijn studententijd stond hij bekend als `the most amusing man in Cambridge'. Vriendelijk in de omgang, elegant, onderhoudend, gecultiveerd, respectvol, maar altijd op afstand. Over persoonlijke kwesties sprak hij nooit. Die man, zo merkte de vrouw van een vriend eens op, heeft geen bloed maar ijskoffie door zijn aderen lopen.

`The essential man' bleef altijd onzichtbaar. Ook voor zijn beste vrienden was Blunt een raadsel. Carter noemt hem een `habitual compartimentalizer', een man uit vele stukken die zich moeiteloos aan elke omgeving aanpaste. Die kunst om zichzelf op te splitsen maakte het hem mogelijk om zich bij wijze van achteloos gebaar te laten rekruteren als spion. Waarschijnlijk, zo schrijft Miranda Carter, had hij geen idee waar hij in 1937 aan begon. De eerste drie jaar deed hij trouwens nog helemaal niets. En toen het spel eenmaal aan de gang was, bleek het moeilijk om ermee te stoppen. Carter citeert de woorden die Le Carré de Russische mol Bill Haydon in de mond legt: `Treason is very much a matter of habit'. Het was voor Blunt een gewoonte, die bovendien een verslavende kick gaf. Lid van het establishment en tegelijkertijd outsider op het scherpst van de snede: die twee onverenigbare levens combineren, dat was zoiets als het bestaan zelf volledig beheersen.

Toen hij werd ontmaskerd, toonde Blunt zich verbaasd over zoveel tumult. Een verklaring voor zijn gedrag had hij niet. Hij had niet veel anders gedaan dan zijn gespleten ego volgen. Zijn saai geworden leven duurde nog vier jaar: in 1983 overleed hij aan de gevolgen van een hartinfarct.

Miranda Carter: Anthony Blunt. His Lives. Macmillan, 590 blz. € 37,