Hartstochtelijk nestbevuiler

Niet ver buiten Brussel draai ik in Dilbeek de auto een plein op van een tramremise. Een lange buschauffeur in uniform en een kleine conductrice met hengseltas op de heup komen als stripfiguren aanlopen over de grijsblauwe kasseien. Ik moet terug: ,,Ge draait vanaf het ronde punt links naar boven en dan de tweede rechts.'' Hun aanwijzing blijkt feilloos te kloppen. Na de afslag wijzen de stofwolken van een steenhouwerij mij de plek van het kerkhof waar Johan Anthierens begraven ligt.

Twee jaar geleden, op 20 maart, overleed de journalist en tv-rebel Johan Anthierens (1937-2000). Er bestaat geen dichterlijker journalistiek proza dan dat van Anthierens. Toch had hij niets met de grote poëten. De dichtkunst beschouwde hij als een chique buurt waar hij rondkwispelde `als staart zonder hond'. Voor deze Vlaamse vlerk lag de poëzie op straat en in de dagelijkse omgang. Zoals hij was, zo schreef hij – een vreemde eend die nimmer in de ganzenpas liep.

Anthierens hield meer van de chansons van Georges Brassens en Jacques Brel dan van de grote poëzie. Over Brel schreef Anthierens De passie en de pijn, waarin hij liedteksten verklaart voor de lezer en de luisteraar. In Brel herkende hij de vermetele avonturier van het leven die Anthierens zelf was. Een hoogvlieger, grenzeloos gedreven, waaghals van de liefde, die zich doodvliegt tegen de einder `met bloedende snavel, tezamen met scherven van een bijna waargemaakte luchtspiegeling'. Liever een `vlerk in vogelvlucht', dan een burgerman `die zijn vleugels gebruikt om de schouders op te halen'.

Anthierens schuwde de grote woorden niet. In zijn nogal pathetische stijl balanceerde hij op de grenslijnen tussen journalistiek proza, poëzie en literatuur. Maar in plaats van zich bij een van die culturen aan te sluiten, trok hij zijn eigen baan. Hij wilde groots en meeslepend leven en wenste zich niet aan te passen. Buiten het domein van zijn schrijfkamer leidde dat vaak tot botsingen. Als geboren volksjongen met een hart voor de poëzie van kermissen en frietstallen, bleef hij zich afzetten tegen de domme platheid van `Les Flamandes', zoals ook Brel zijn verbale vuurpijlen met passie in de microfoon blafte. Door zijn aanvallen op Vlaanderen in Nederlandse bladen werd hij als `nestbevuiler' afgedaan, een aanduiding die hij afwees: ,,Ik wijs slechts het vuil aan, ik maak het niet.''

Anthierens' stukken die hij tussen 1979 en 1981 schreef in de rubriek `Denk om de buren' in de Volkskrant en die werden gebundeld in Vlerk in vogelvlucht, zijn vol van gevleugeld proza: ,,Ik zuig op een zin, wentel een woord, knijp een komma in zijn oor.''

In 1980 strijkt hij in Dilbeek neer. In april schrijft hij: `Zwaluwen skiën over, de wind heeft bronchitis, de hemel oogt blauw van de kou. Ik post in de tuin met een glas gestold schuim.' Het is de taal van het chanson, versregels van een levenslied.

Onvergetelijk en bij herlezen nog adembenemend gruwelijk is zijn drieluik Crème de la Crime. De nachtmerrie van elke weerloze huisbewoner. Een auto met twee moordenaars komt op 23 juni 1979 het erf van een willekeurig huis oprijden... met `getrokken tanden' bellen zij aan. Na vijf weerzinwekkende moorden is `de doder doodop'. Ook titels als `Rouwen om vrouwen', `Ganzeveer en Hellevuur', `Bier met Bloesem' en natuurlijk `Voor een verre princess', verraden de poëzie in zijn ronkend proza. Ik weet nog hoe ik naar zijn zaterdagstukken uitkeek, hoe gretig ik ze las.

Uit de steenhouwerij gilt het geluid van de slijpmachine als ik het hek van het kerkhof openduw. Aan weerszijden van het pad liggen de graven in het gelid.

In een stenen schuur staat een oude man. Ik loop op hem toe en vraag hem naar het graf van Anthierens. Hij komt onmiddellijk in beweging. ,,Vanuit zijn huis'', weet hij, ,,keek Anthierens uit op het kerkhof.'' Hij wijst naar het witte huis en gaat mij voor naar het graf. Na enkele kordate stappen stopt hij. Dan sta ik voor het graf, zoals Anthierens eens zelf bij het graf stond van Jacques Brel op Hiva Oa, een van de Marquesas-eilanden, geïsoleerde rotspieken in de Stille Oceaan.

Ook het graf van Anthierens heeft geen liggende steen en ook hier staan slechts wat ministruikjes in de aarde. Verticaal een T in hout. Op de dwarsligger de naam Johan Anthierens in zwart geschreven. Alleen in gedachten hoor ik hem welluidend rebels proza prevelen. Op het kerkhof blijft het stil. `Als wij doodgaan', schreef Anthierens, `veranderen wij in een doorzakkend vraagteken dat men onderstopt.'