Elegant in de grote lijnen

`Dit is wat mij in het gedicht bevalt: het geeft in weinig woorden veel te denken', schrijft socioloog J. Goudsblom in het eerste stuk uit de bundel Stof waar honger uit ontstond. Dat gedicht is `Tuin op komst' van Chr. J. van Geel: `De bomen laten op hun naakte vingers kijken,/ ze zijn gemaakt van stof waar honger uit ontstond,/ de takken zijn verhuld beknopte fraaie blijken/ van dorst die zich vertakt, zich hecht onder de grond'. Zoals het gedicht het boek zijn titel geeft, is Goudsbloms compliment zijn programma: hij wil in weinig woorden veel te denken geven.

En in kalme woorden. Goudsblom (1932, emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam) denkt en schrijft zonder overdrijving. Zijn onderwerp is verandering, op de lange termijn. In Vuur en beschaving (1992) probeerde hij aan te tonen hoe de beheersing van het vuur een beslissende rol speelde in de ontwikkeling van de beschaving. De vuurbeheersing komt ook regelmatig om de hoek kijken in Stof waar honger uit ontstond, een bundeling van artikelen uit de laatste jaren. Bijvoorbeeld in het opstel `De antroposfeer' waarin hij behoedzaam uiteenzet hoe er volgens hem een sociaal-economisch `regime' in aantocht is waarin de mens een steeds ingrijpender rol in zijn omgeving zal hebben, niet alleen meer door de opwekking van energie door verbranding, maar ook door wind- en kernenergie en door gentechnologie. Het is typisch Goudsblom: voorzichtig formulerend, empirisch in zijn uitleg en uiteindelijk de grootste greep weer vindend.

Al even elegant is `In de greep van de groei' waarin de socioloog uitlegt wat volgens hem de sociale achtergrond van het verlangen naar rijkdom en economische groei is. `Het antwoord ligt, denk ik, in een combinatie van de twee sterkste sociale bindingen in menselijke samenlevingen: de solidariteit en de hiërarchie. Mensen willen erbij horen, en ze willen niet de minste zijn.' En, in combinatie daarmee: `We willen en moeten genotsmens zijn.'

Goudsblom is ook wel eens wat minder op dreef, met name wanneer hij het opneemt voor vakgenoten of anderen. Zo verdedigt hij de socioloog Randall Collins, auteur van The Sociology of Philosophies (1998) tegen wijsgerige aanvallen, op een wijze die voor een socioloog wellicht aanvaardbaar is, maar voor filosofen strandt in een te losse omgang met het begrip determinatie. Interessanter is `De monopolisering van georganiseerd geweld', geschreven in 1998 en deels herzien na 11 september 2001. Daarin toont Goudsblom zich zeer vasthoudend in het wijzen op de vooruitgang die er ook wat betreft geweldsbeheersing te zien is in de mensheidsgeschiedenis. Dat proces laat zich volgens hem niet verstoren door `deciviliserende tendenties' die ook altijd en overal zullen optreden. Zo geeft het lezen van Goudsblom niet alleen het idee dat er altijd nieuwe inzichten onder handbereik zijn, maar maakt zijn kalme elegantie ook zijn optimisme uiteindelijk onweerstaanbaar.

J. Goudsblom: Stof waar honger uit ontstond. Over evolutie en sociale processen. Meulenhoff. 192 blz. € 17,95