Eerste hulp voor biblionauten

Waar beginnen we met het lezen van literatuur? Met het advies van een goede vriend, de voorkeur van een bekende schrijver of het oordeel van een recensent? Voor de literaire starters zijn verscheidene leesgidsen verschenen. Maar ook daar moet uit gekozen worden.

Voor de zeventiende-eeuwse kamergeleerde Charles Du Fresne Du Cange was een dag pas geslaagd als hij een uur of twintig had gewerkt. Toen hem aan het eind van zijn leven werd gevraagd of hij het niet jammer vond dat hij altijd met zijn neus in de boeken had gezeten, antwoordde hij dat hij maar van één ding spijt had: zijn trouwdag, want toen had hij maar zes uur kunnen lezen.

De tijden van Du Cange waren overzichtelijk. Op zijn laatste, 77ste, verjaardag, zal hij tevreden hebben kunnen terugkijken op zijn carrière als lezer; het totaal aan gedrukte boeken in de westerse wereld was waarschijnlijk minder dan de huidige jaarproductie van de Amerikaanse uitgeverijen. Wee de lezende 21ste-eeuwer. Zelfs hij of zij die zich beperkt tot fictie zal zich met een straffe dagindeling slechts door een fractie van de wereldliteratuur kunnen heenzappen. Er moeten harde keuzes gemaakt worden: wél de Metamorfosen, niet de Argonautica; áls Balzac, dan niet Hugo; Dickens ja, maar voorlopig even wachten met Trollope; De tandeloze tijd van Van der Heijden eerst, en pas na het pensioen Movo van A.F.Th. Of omgekeerd, natuurlijk.

Gelukkig is er hulp bij de selectie: vrienden die je een niet te missen roman aanraden, bewonderde schrijvers die aanstekelijk vertellen over hun `beslissende boek' (zoals in de gelijknamige en nu gebundelde interviews in deze krant van Margot Dijkgraaf en Martijn Meijer), recensenten die argumenterend en enthousiasmerend schiften in het wekelijkse aanbod, leesgidsen die de fanatieke biblionaut van het ene boek naar het andere loodsen, veellezers die je uitleggen wat je zou moeten lezen en waarom.

Van die laatste soort is de Amerikaanse criticus Harold Bloom een bijzonder specimen. Als een hedendaagse Du Cange heeft hij zich schijnbaar stelselmatig door de klassieken heengewerkt, om van zijn bevindingen verslag te doen in drieste pillen met titels als The Anxiety of Influence (1973), The Strong Light of the Canonical (1987) en The Western Canon (1994). Blooms voorbeeld is de achttiende-eeuwse erudiet Samuel Johnson, zijn grote held is Shakespeare, die hij een paar jaar geleden in een monografie uitriep tot de `uitvinder van het menselijke'. Maar hij zweert ook bij de (naar zijn mening) 24 andere canonieke auteurs van de afgelopen zeven eeuwen, van Chaucer, Cervantes en Molière tot Beckett, Borges en Neruda; dichters, romanciers en toneelschrijvers die we getuige Blooms recentste boek, How to Read and Why, lezen `omdat ze het leven verrijken', `om onszelf te behandelen tegen sombere passiviteit', `om de eenzaamheid te verlichten' kortom, stelt Bloom op zijn Amerikaans, omdat ze `het Zelf versterken'.

In De kunst van het lezen, een vertaling van How to Read and Why waar de Engelse tekst wel erg hinderlijk doorheen schemert, probeert Harold Bloom de canon aantrekkelijk te maken voor de `solitaire lezer', de enige lezer die er zijns inziens na het ineenstorten van het universitair onderwijs nog toe doet. Onder het motto `slechte literatuur is allemaal hetzelfde, goede literatuur is schandalig gevarieerd' becommentarieert hij 3 toneelstukken, 15 romans, 18 korte verhalen en 21 gedichten, die merendeels volledig geciteerd worden. Daar zijn zelfs drie werken van levende schrijvers bij: de postmodernistische komedie The Crying of Lot 49 van Thomas Pynchon (volgens Bloom belangrijk voor `een apocalyptisch inzicht in de Verenigde Staten'), de zwarte western Blood Meridian van Cormac McCarthy (`even openlijk shakespeareaans als faulkneriaans') en de `symbolische parabel' Song of Solomon van Toni Morrison. Maar ook zij kunnen alleen maar in de schaduw staan van Shakespeare, de witte neushoorn van de wereldliteratuur met wie Bloom in symbiose leeft.

Bij iedere auteur die hij behandelt, stelt Bloom expliciet de vraag waarom we hem (slechts in vier gevallen haar) moeten lezen. De antwoorden verschillen – `voor de schok van nieuwe gezichtspunten' (Whitman), `om zijn wonderbaarlijke verwoording van het universele verlangen naar liefde' (Keats), `voor de voortschrijdende ontwikkeling van de personages' (Proust) – maar ze zijn op zijn zachtst gezegd weinig verrassend. Bloom toont zich een ouderwets humanistisch lezer, en een die niet gevoelig is voor kritiek van de categorie `Hitler was ook een liefhebber van Jane Austen'. Emily Dickinson leert je subtiel te denken, John Milton geeft je historisch besef, Henry James biedt sociale kennis; lezen maakt je een beter mens, en `poëzie is de enige `zelfhulp' die werkt.'

Waarom moeten we Bloom lezen? Niet om de vijf tips die hij ons in zijn inleiding geeft om een beter lezer te worden; wat moeten we met vaagheden als `ontdoe je geest van academisch jargon', `wees creatief', of `herontdek de ironie van de klassieken'? Ook niet om zijn tour d'horizon van de hoogtepunten van de wereldliteratuur, want die blijft binnen de gebaande paden en is vooral aardig als je de besproken boeken al gelezen hebt. En zelfs niet om het handjevol inzichten dat hij ons biedt, al kunnen we grinniken om zijn opmerkingen over de verhalen van Edgar Allan Poe (`winnen veel door vertaling, zelfs in het Engels') en Ernest Hemingway (`gemakkelijk te parodiëren, wat Hemingway geregeld zelf deed'). Goedbeschouwd hoeven we Harold Bloom helemaal niet te lezen, want zoals de auteur zelf zegt: `uiteindelijk lees je in een race tegen de klok' – en dus moet je je door hem niet op extra achterstand laten zetten.

In een van de vele apodictische passages van De kunst van het lezen fulmineert Bloom tegen romans die worden `geprezen om sociale redenen' en tegen `supermarktlectuur' die door de universiteiten gesanctioneerd wordt. Arjan Peters, sinds 1992 recensent Nederlandstalige literatuur voor de Volkskrant, zal het met hem eens zijn. Op de achterflap van zijn `werkboek' De ongeneeslijke lezer een mooie titel voor een boek dat twee maanden geleden nog werd aangekondigd als Recenseren is een roeping staat te lezen dat de literatuur `verworden lijkt tot vrijblijvend vermaak voor consumenten' en dat `marketing steeds meer de plaats inneemt van onderscheidingsvermogen'. Enter de criticus. Want `wie anders dan hij spreekt zich nog uit over wat goede en slechte literatuur is'?

Richt Bloom zich op de solitaire lezer, Peters spreekt de recensent in spe toe. Letterlijk, want de door hem verzamelde en herschreven besprekingen worden omlijst door de monoloog van een snaakse frik die dol is op de vrolijk gebiedende wijs (`Leest dus deze lessen'), het gezellige archaïsme (`goedsmoeds', `droefsnoet', `konterfeitsel') en de gemoedelijke grappenmakerij (`recenseren is te leren, net als voetschilderen, fierljeppen of zelf bamboefluit maken'). Lezers van de Volkskrant kennen dit alter ego van Peters; hij is het die hen al tien jaar bijpraat over de Nederlandse literatuur; hij is het die er de ene week een sardonisch genoegen in schept om een debuut de grond in te stampen of een slecht boek uitgebreid na te vertellen, en die de volgende week enthousiast een oude klassiek bespreekt of grootmoedig het nieuwe boek van een gezworen vijand de hemel in prijst.

De taak van de criticus is volgens Peters `terugschrijven, opiniëren, de schrijvers en makers vertellen wat je van hun werk vindt en vooral waarom'. Peters wil `de tijd helpen schiften' en doet dat op basis van zijn overtuiging dat `in literatuur de onvolkomenheid van de mens verbeeld [wordt] in een zo volkomen mogelijke vorm', en dat `een goed boek altijd bestaat uit een meer of minder boeiende inhoud die slechts door een buitengewoon passende vorm de status van echte literatuur verkrijgt'. In zijn recensies streeft hij naar `een breder perspectief', het scheppen van orde in de boekenberg, en `zich al doende verstaan met voorgangers'. Peters' voorbeelden zijn de negentiende-eeuwse criticus Conrad Busken Huet, de literair essayist Sem Dresden, de polemist W.F. Hermans (wiens foto van een lezende invalide het omslag van De ongeneeslijke lezer siert) en de Amerikaanse sarcast Ambrose Bierce, schrijver van Peters' favoriete aforismenverzameling The Devil's Dictionary.

Peters' werkboek bestaat uit vijf delen die – in overeenstemming met het karakter van een cursus – `stappen' worden genoemd. Stap 1 en 2, `Goede boeken en niet zo goede boeken' en `Namen kraken en krakende namen', bevatten het meeste vuurwerk, en zijn ook de beste illustratie van Peters' praktijk als recensent. In zijn geselecteerde recensies toont hij zich vooral enthousiast over de nobele marginalen van de Nederlandse literatuur: Nachoem Wijnberg, R.A. Basart, Bert Weijde. Het venijn bewaart hij voor bestsellers als Leon de Winter (`Een bak met kak'), Ronald Giphart (`Klapkut wil meer aandacht voor elkaar'), Connie Palmen (`Een heldin met een koortslip') en Joost Zwagerman (`Satiricus zonder ruggengraat'). Dat hij deze laatste vernietigende recensie, over Chaos en rumoer, in licht bewerkte vorm opnam in de bundel getuigt van lef, aangezien later bleek dat hij dezelfde roman in een ander medium aanbevolen had; het is jammer dat hij geen pogingen doet om zich te verdedigen tegen de beschuldiging van januskopperij, die hem in 1998 zelfs op een schorsing vanwege de Volkskrant-hoofdredactie kwam te staan. En dat terwijl hij wél overtuigend terugkomt op zijn diametraal tegenover elkaar staande besprekingen van twee verwante boeken van Hugo Claus, Onvoltooid verleden en het door iedereen behalve Peters geprezen De geruchten.

Peters is op zijn best als hij tegen de stroom kan in roeien; daarvan getuigen in De ongeneeslijke lezer de goed geargumenteerde stukken tegen kanonieke reuzen als Mulisch (`fantasterijen en ijdel gelul'), Wolkers (`de firma Poch & Bedrog') en Komrij (`toont verschijnselen van veradriaanrolandholstisering'). Hij is op zijn ergerlijkst als hij onder het motto `een negatieve recensie is te beschouwen als souffleren' op cabareteske wijze gehakt maakt van een debuut. Debutanten zijn over het algemeen onbekend bij de krantenlezer, zodat niemand op een oordeel over hun werk zit te wachten. Bevalt een debuut je niet, negeer het en begin niet over de rug van schrijver en lezers een komische act er zijn zoveel andere boeken die op een bespreking wachten.

`Steeds vaker zie je [...] ``leuke stukjes' in plaats van beschouwingen die behalve aantrekkelijk ook gedegen zijn,' moppert Peters in een van de fillers van de bundel. Een gotspe uit de mond van een man die in zijn wekelijkse recensies weinig moeite doet om de columnisering van de literatuurkritiek een halt toe te roepen. Peters vergelijkt het lezen van Wolkers' hyperbolen met het uitzitten van `een walgelijke bodybuildersshow'; hij schrijft over `Geert Gemak' en noemt Carel Peeters `Vrij Nederland's denker en vrijetijdsfiguurzaagkoning'; hij spreekt de lezer aan met `Jongens en meisjes!', en suggereert als genreaanduiding voor het debuut van Cor Vos `Corvee'. Arjan Peters is de kampioen van de stand-up criticism, afdeling lach-of-ik-schiet.

Aan het slot van de Dikke Peters (`The covers of this book are too far apart' zou Ambrose Bierce zeggen) schrijft de recensent: `Maar al te graag zou ik de verbreider van een leesvirus zijn.' IJdele hoop, want De ongeneeslijke lezer is bij alles te veel een verzameling losse stukken om besmettelijk te zijn. Voor lezers die écht gegrepen en verrast willen worden liggen er sinds kort twee uitstekende Engelse leesgidsen in de winkel: Good Fiction en The Bloomsbury Good Reading Guide. Beide gidsen voor prozafictie doen een dappere poging om de wereldliteratuur in één boek te vangen, beide zijn gefundeerd op de aanprijzing `if you like this, – read that' (zodat je van Isabel Allende terechtkomt bij García Márquez en Vargas Llosa en van Émile Zola bij Balzac, Steinbeck en D.H. Lawrence).

Bij Good Fiction van The Oxford University gebeurt dat zuinigjes: de door Jane Rogers samengestelde encyclopedie geeft na een goed geschreven lemma over een auteur (1.120 stuks in totaal) alleen een handvol namen om op door te lezen. Daar staat tegenover dat in het eerste deel van het boek 34 genres en thema's (van `Adventure' en `Black and White' tot `War' en `Western') door specialisten in korte essays worden behandeld met als toegift een vaak verrassende top 12 van hoogtepunten. Zo koos misdaadauteur Michael Dibdin behalve boeken van schrijvers die hij ooit pasticheerde (Arthur Conan Doyle, Agatha Christie) de mij onbekende romans Malice Aforethought van Francis Isles en Phantom Lady van William Irish. En John Sutherland, die de moeilijke categorie `Classics' bedeeld kreeg, selecteerde alleen schrijvers (of boeken) wier naam tot een bijvoeglijk naamwoord is geworden (`Austenish', `Homeric', `Quixotic', `Wertherian') maar ging voorbij aan Kafka(esk) en Proust(iaans).

In The Good Reading Guide, inmiddels toe aan zijn vijfde editie, is het doorverwijzen tot een kunst verheven. Behalve aanstekelijke biografietjes en een selectie uit de oeuvres van 350 schrijvers krijgt de veellezer tips voor het lezen van thematisch of stilistisch verwante romans van anderen. Wie alleen maar romans wil lezen over één onderwerp (`grote families', `de middeleeuwen', `krankzinnigheid', `something nasty...') kan terecht bij honderd thematische lemma's met acht tot tien suggesties; ook handig voor reizigers of vakantiegangers die het liefst literatuur op locatie lezen. De volgens samensteller Nick Rennison invloedrijkste boeken uit de wereldliteratuur – twaalf titels, waaronder The Playmaker van Thomas Keneally en Gormenghast van Mervyn Peake – hebben een bladzijde voor zichzelf, met `pathways' naar een dozijn andere boeken.

De netwerken en dwarsverbanden die vooral door The Good Reading Guide in de wereldliteratuur worden gelegd, zijn niet alleen enthousiasmerend, maar ook leerzaam; ze tonen de schatplichtigheid en de invloeden van schrijvers, en laten zien dat boeken niet in een (geografisch) vacuüm ontstaan. Des te sneuer is het dat de wereldliteratuur in Engelse ogen beperkt is tot Angelsaksisch proza en klassieken uit Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en Rusland. Met uitzondering van Marcel `Moring' – In Babylon is tussen Rebecca en The Castle of Otranto opgenomen in de categorie `Dark Old Houses' – ontbreken Nederlandse schrijvers in de gidsen; alleen Hugo Claus heeft een lemma in Good Fiction (zie verder onder Knut Hamsun en Jean-Paul Sartre). Maar ook `onze' schrijvers verdienen het om in de wereldliteratuur te worden ingebed. Nederlandse critici, die in hun recensies opmerkelijk weinig naar buitenlandse invloeden en verwantschappen verwijzen (Conrad Busken Huet klaagde er al over) zouden daar hun voordeel mee kunnen doen.

Harold Bloom: De kunst van het lezen (How to Read and Why). Uit het Engels vertaald door Victor Verduin. Ambo/Anthos, 296 blz. € 24,90 Margot Dijkgraaf en Martijn Meijer: Het beslissende boek. Nederlandse schrijvers over het boek dat hun leven veranderde. Prometheus, 228 blz. € 14,50 Arjan Peters: De ongeneeslijke lezer. Een werkboek. Contact, 336 blz. € 19,75 Nick Rennison (ed.): The Bloomsbury Good Reading Guide. What to Read and What to Read Next. Bloomsbury, 338 blz. € 29,61 Jane Rogers (ed.): Good Fiction Guide. Oxford University Press, 496 blz. € 38,75