Vrouw zoekt café

Het leuke van evenementen als Internationale Vrouwendag is dat mijn huis weer eens vol raakt met mooie bloemen die ik bij mijn spreekbeurten oogst. Bij de twee spreekbeurten die me dit jaar te beurt waren gevallen kon ik merken dat het voornamelijk vijftigplussers en allochtone vrouwen zijn die Vrouwendag vieren. Of dat overal zo is, weet ik niet maar ik was er tevreden mee.

Mijn tweede spreekbeurt bracht me naar Den Haag waar de Openbare Bibliotheek een middag voor Marokkaanse vrouwen had georganiseerd. Ik was al lang niet in Den Haag geweest en ken het amper.

Het was een prachtig zonnige middag, zodat ik voor de opkomst het ergste vreesde. Toch kwam er een enthousiaste groep vrouwen opdagen. Na afloop was ik niet ontevreden en besloot daarom mezelf op een hapje te trakteren voor ik de terugreis ondernam.

Via een opgebroken straat tegenover het station kwam ik in een troosteloze buurt terecht waar geen behoorlijk restaurant of café te bekennen viel. Een blik op de kaart zei me dat ik in de Schilderswijk liep. De vruchteloze zoektocht naar een eetgelegenheid deed me denken aan soortgelijke pogingen in de Amsterdamse Bijlmer en in Osdorp, waar de mensen kennelijk genoeg hebben aan hamburgers en patat.

Behalve het vuil op straat deden de grauwe winkelramen en de verveloze gevels me aan mijn geboorteland Egypte denken. Maar anders dan de levendige, zonnige straten vol mannen, vrouwen, kinderen en straatkatten zag ik hier in de Schilderswijk voornamelijk mannen op de winderige straten staan. En in de kleine winkeltjes werd je alleen door mannen geholpen. De klanten van de kale, karige theehuizen waren uitsluitend mannen. Het leek of de buurt alleen door mannen werd bewoond. Kwam het doordat het zondag was?

Ik vroeg me af wat voor soort vrouwen hier woonden. Niet het soort vrouwen dat bij mij eerder die dag op de lezing was. Dat waren actieve vrouwen die een zonnige middag opofferden om Vrouwendag te vieren, om te komen discussiëren over het waarom van het `Trouwen met een man uit je eigen land?', over wat we als moeders konden doen aan de opvoeding van onze jongens, zodat ze later aardiger mannen werden. Het waren vrouwen die moeite deden om zowel aan de eisen thuis als aan die van de Nederlandse samenleving te voldoen en zij verdienden mijn respect.

Maar hoe dan ook, ik wilde iets eten en het ergerde me mateloos dat ik hier in Den Haag, in het regeringscentrum, in de stad met ambassades en het Internationale Gerechtshof geen café kon vinden waar ik als vrouw alleen een kop koffie of thee kon drinken. Vrouwen zouden zich niet zo moeten laten uitsluiten uit het openbare leven. Met deze gedachte in mijn hoofd en de moeheid in mijn benen besloot ik het eerste het beste café binnen te gaan. Ik overwon mijn tegenzin en ging ergens naar binnen.

Het bleek een coffeeshop te zijn. De man achter de bar was een Colombiaan en de cliënten kwamen overal vandaan. Af en toe kwam er een klant binnen om kleine zakjes te kopen. Ik bleef de enige vrouw.

Het was er rustig. De mannen spraken wat of biljartten. Geen geruzie van dronken mannen, geen luidruchtig gepraat, zoals je in een café zou verwachten.

Ik dronk een kop koffie en vertrok. Op straat kwam een bebaarde man in een lang gewaad een moskee uit. Hij had drie kinderen bij zich, drie jongens die trots met hun vader meeliepen. Ik vroeg me af of hij ook dochters had. Als hij die had dan mochten ze vermoedelijk niet mee. Dat hadden ze ook wel fijn gevonden vonden, zo op stap met hun vader.