Pim Fortuyn verdedigt het recht van de sterkste

Waar staat Pim Fortuyn? Het is niet voldoende te constateren dat zijn `oplossingen' voor maatschappelijke problemen te simpel, te wild, tegenstrijdig en financieel niet onderbouwd zijn. Hoewel hij geen groot politiek denker is, moeten zijn opvattingen ook worden bezien tegen de achtergrond van de geschiedenis van de politieke ideeën. Dan blijkt hij thuis te horen in de hoek van Herbert Spencer. Dat is de hoek van de keiharde, uiterst rechtervleugel van het liberalisme en het sociaal-darwinisme.

De Engelse spoorwegingenieur, socioloog en filosoof Herbert Spencer (1820-1903) staat als een toonaangevende figuur binnen het sociaal-darwinisme bekend. Maatschappelijke vooruitgang is in zijn visie alleen mogelijk door strijd om het bestaan, die eindigt met het overleven van de sterksten en de ondergang van de zwakken. Van Spencer en niet van Darwin stamt de idee van de `survival of the fittest' in de strijd om het bestaan. Het heeft volgens hem geen zin om zwakke mensen te beschermen. Het zwakke behoort men ten onder te laten gaan om een selectie van de sterken te bereiken.

De opvattingen van Pim Fortuyn zijn vanzelfsprekend niet zonder meer met die van Spencer gelijk te stellen. Toch zijn er belangrijke punten van overeenkomst. Beiden verdedigen het recht van de sterkste.

Spencer predikt vrijheid en concurrentie in combinatie met sociale ongelijkheid. Fortuyn wil het grondwetsartikel afschaffen waarin het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie zijn vastgelegd. Uitkeringsgerechtigden noemt hij `op zijn best een dood gewicht in de samenleving'. Subsi-dies en belastingkortingen voor uitkeringsgerechtigden wil hij opheffen.

De opvatting dat de regering voor het algemeen welzijn moet zorgen vindt Spencer verwerpelijk. Het ingrijpen van de staat in het leven van het individu behoort naar zijn mening te worden beperkt tot het straffen van misdrijven tegen de persoon en de eigendom, het afdwingen van de verplichtingen van contracten en een kosteloze en toegankelijke rechtspleging. Fortuyn beweert dat de politiek zich uitsluitend moet bezighouden met de inrichting van de rechtsstaat en het bestuur van de publieke sector.

Spencer verwerpt een armenwet en wetgeving voor de openbare gezondheidszorg. Fortuyn vindt dat de WAO alleen moet gelden voor beroepsgebonden ziekten. De rest moet naar de bijstand.

Het lijkt hard, geeft Spencer toe, dat een arbeider die invalide is geworden moet concurreren tegen mensen die geen lichamelijke handicap hebben.

Maar anders zou het proces van de maatschappelijke evolutie niet kunnen voortgaan. Fortuyn zegt over het verwijderen van mensen met andere dan beroepsziekten uit de WAO: `Dat is schrijnend, dat besef ik tenvolle, maar doormodderen...zou nog schrijnender zijn'.

Een fundamenteel principe van Spencer is dat de samenleving behoort te worden georganiseerd op basis van vrijwillige samenwerking: het systeem waarmee de landbouw en de industrie werken. Fortuyn wil de zorgsector veranderen in een stelsel van vrij ondernemerschap met vrije prijsvorming voor medisch specialisten.

Dat Fortuyn de oplossingen voor maatschappelijke problemen grotendeels in meer markt zoekt, is merkwaardig. Want de problemen die zich momenteel in de zorg, het onderwijs, het openbaar vervoer en de veiligheid voordoen, zijn althans gedeeltelijk uit het politieke marktdenken te verklaren. Het rechtse denken van Fortuyn gaat samen met nationalisme, isolationisme en haat tegen de islam. `Er komt geen islamiet meer binnen!'. Een dergelijke combinatie is niet nieuw. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zijn sociaal-darwinistische begrippen als de strijd om het bestaan, de natuurlijke selectie en de overleving van de meest geschikten gebruikt als verklaring en excuus voor maatschappelijke ongelijkheid, uitbuiting en discriminatie. In de twintigste eeuw hebben fascisten en nationaal-socialisten soortgelijke sociaal-darwinistische ideeën als die van Spencer verkondigd om hun nationalisme en rassenleer te rechtvaardigen.

Spencer heeft zich van spoorwegingenieur tot socioloog en filosoof ontwikkeld. Ook Fortuyn heeft een lange reis gemaakt: van het neomarxisme naar een extreem-rechtse vorm van liberalisme. Wat zal het volgende station zijn?

De situatie is zorgelijker dan vele politici lijken te beseffen. Zorgelijk is niet in de eerste plaats het machtsverlies van gevestigde partijen. Zorgelijk is vooral de omwenteling in de politieke cultuur. Het sterk gegroeide infotainment in de massamedia heeft de aandacht afgeleid van de essentiële politieke vragen en beginselen. Daarnaast hebben de kabinetten sinds de jaren tachtig weinig aandacht getoond voor fundamentele politieke waarden en vooral voor sociale rechtvaardigheid en gelijkheid.

Mede daardoor hebben talloze kiezers het verleerd bij de stembus in termen van deze waarden te denken. Dit maakt hen tot een willige prooi van extreem-rechtse krachten. Wat zal er gebeuren als de welvaart instort?

Prof.dr. A. Hoogerwerf is politicoloog en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Twente.