Kost en Inwoning

De ark

In de verbeelding komen ze. Gearmd.

Over de loopplank. En schikken

zich. Een stil rumoer van benen

over benen. Zwart water klopt aan ramen.

Ze hadden het over jou, een dikke warme

zomer lang. Twee tuinen verder. Hikkend

van de lach wierp één haar bal. Op hun tenen

stonden ze. Bij de heg. Knisperend kwamen

ze, zeldzame dieren, kwamen door de heg gekropen

de Kleine Ademdief, de Rode Pantoffelloper,

de Muis Met Vlek, de Bonte Tuimelaar,

de Dochteren Israëls, de zusjes Koorevaar.

L.F. Rosen (geb. 1953)

Dit is een gedicht om even naar te turen. Het klinkt vrij simpel loopplank, zomer, balspel, heg en toch begrijp je meteen dat het niet zo simpel is als het lijkt. Er schuilen adders onder het gras iets met de chronologie en met de relaties tussen de figuranten. Er wordt de suggestie gewekt van een raadsel, al heb je geen idee welk raadsel.

Een gedicht moet bij eerste lezing genoeg goodwill kweken om je zover te krijgen dat je bereid bent er eventjes langer naar te turen.

Als een gedicht van tevoren al uitstraalt: `Ik wil je niet hebben', dan begin je er niet aan. Als een gedicht er meteen al bijligt als een diva die zich te verheven en te gecompliceerd voor je voelt, dan deins je terug. Raadselachtigheid mag, hermetisme, absurde woorddronkenheid som al het tafelzilver en alle uitwassen van de poëzie op maar de dichter moet de lezer op z'n minst één worteltje blijven voorhouden. Eén fopperij moet er zijn die de lezer hoop geeft op een beetje licht aan het eind van de tunnel.

Het doet er niet toe of die gewekte hoop uiteindelijk valse hoop blijkt. De dichter hoort de lezer zijn spiegelpaleizen of bordelen binnen te lokken. Aan passanten heeft hij niets.

Dichten is iemand op een handige manier je bedrog opdringen.

Onontkoombaar.

De dichter pakt de lezer bij de kraag om hem vervolgens met een kluitje in het riet te sturen, zal ik maar zeggen. Hij hoeft in zijn gedichten geen ontsnappingsroutes te bieden. Hij moet de lezer wel vangen.

Waarin schuilt de goodwill die De ark van L.F. Rosen kweekt? In een paar haast terloopse kleinigheden. In de luchtige indruk die het gedicht bij eerste aanblik maakt, alsof de dichter zomaar een verhaaltje uit de losse mouw schudt. En in de zinnen

de Kleine Ademdief, de Rode Pantoffelloper,

de Muis Met Vlek, de Bonte Tuimelaar,

de Dochteren Israëls, de zusjes Koorevaar

die ondanks pantoffel, muis en tuimelaar haaks staan op die luchtigheid een intrigerende opsomming, met de theatrale plechtstatigheid van een processie. Meer niet. Toch heeft L.F. Rosen daarmee onze aandacht gevangen. We zijn gekaapt.

We beginnen naar het gedicht te turen.

We vertrouwen de luchtigheid niet. Dit is niet `zomaar een verhaaltje'.

Wat wel?

De dichter wil zich duidelijk niet een-twee-drie gewonnen geven.

Dus turen we iets langer.

Die ijver heeft niets te maken met literair plichtsbesef of huiswerk of de kwalijke gevolgen van moeilijke poëzie. We gaan ook wel eens in de rij staan als we speciaal iets willen zien of kopen. Sommige gedichten lonen nu eenmaal meer de moeite dan andere. Poëzielezers ontwikkelen al doende een neus voor wat misschien de moeite waard zal zijn.

Eerst is er die ark-scène. Gearmd over de loopplank, zwart water dat aan de ramen klopt, dat kan over niets anders dan de ark uit de titel gaan. Dan ineens

Ze hadden het over jou

en dat twee tuinen verder in een dikke warme zomer. Wie zijn `ze' en wie is `jou'?

`Ze' moeten wel degenen zijn die zich, eenmaal de loopplank over, schikken met een stil rumoer van benen over benen. `Jou', dat kan in dat geval niemand anders zijn dan degene in wiens verbeelding zich de ark-scène afspeelt.

`Hikkend van de lach wierp één haar bal.' Het gaat om meisjes. `Twee tuinen verder.' Om buurmeisjes.

Dit is een reddersfantasie. De buurmeisjes van toen moeten in de ark bewaard blijven. Ook nu ze dames zijn geworden.

Waarom vermoed ik dat het dames zijn geworden? Vanwege dat `gearmd'. Zo lopen alleen dames twee aan twee een loopplank over. Vanwege dat `stil rumoer van benen over benen'. Het zou het geknisper van nylonkousen kunnen zijn.

Waarom moeten de meisjes worden gered? Het heeft misschien iets te maken met de dikte en warmte van de zomer, met hun hikkende lach en met het op hun tenen staan bij de heg. Het heeft zeker te maken met de verbeelding.

Eigenlijk marcheerden ze toen al de ark binnen

de Dochteren Israëls, de zusjes Koorevaar

met hun adembenemende bijnamen. Het gat in de heg was de loopplank. Ze knisperden toen al.

Zeldzame dieren, voorbestemd voor de ark van de dichtersfantasie.

Heden en verleden schuiven hier in elkaar. De ark heeft iets met nu en vroeger te maken, of liever met vroeger en het allereerste begin. Met de ark van Genesis, de ark van het vliegend en kruipend gedierte. Met het thema van oorsprong en geschiedenis, geboorte en slijtage, dat in de gedichten van L.F. Rosen vaker een rol speelt

Maar uitgeleefd zal dit alles eens terugkomen

in het geheugen als koeien op het abattoir.

Verder kan en wil ik in dit gedicht niet doordringen. Ik heb het gevoel dat ik maar weinig aan de weet ben gekomen.

Was dat turen dan de moeite waard? `Nut' en de `moeite waard' zijn in de poëzie belachelijke categorieën. Bovendien: een gedicht is niet verplicht zijn raadsels prijs te geven.