Italië's jaren van lood

Anni di piombo. De jaren van lood. Zo wordt de periode van politiek geweld genoemd in de jaren zeventig, doorsijpelend tot in de jaren tachtig, waarin linkse en rechtse terreurgroepen de ene aanslag na de andere pleegden. Tussen 1969 en 1986 zijn ongeveer 15.000 aanslagen gepleegd. Daarbij zijn meer dan vierhonderd mensen gedood.

De linkse Rode Brigades zijn de grootste en bekendste terreurgroep uit die periode. Hun bekendste wapenfeit is de ontvoering van en moord op de christen-democratische leider Aldo Moro, in 1978. Dit is een trauma in de Italiaanse geschiedenis, dat nog steeds omgeven is met vraagtekens over de opstelling van sommige politici en het optreden van de politie.

De Rode Brigades komen voort uit het links-extremisme dat eind jaren zestig sterk opkwam. De marxistisch-leninistische socioloog Renato Curcio, eerder ideoloog dan uitvoerder van de gewapende strijd, richtte in 1973 de Rode Brigades op. In 1974 pleegden zij hun eerste ontvoering, van een rechter.

De Rode Brigades ontpopten zich als een goed-georganiseerde en buitengewoon effectieve terreurgroep, met magistraten, ondernemers en journalisten als hun belangrijkste doelwitten.

Eind jaren zeventig begon het politie-optreden vruchten af te werpen. Informatie van spijtoptanten maakte arrestatie van een groot aantal Brigadisten mogelijk. Splintergroepen bleven doorgaan, en de doelwitten veranderden. Zo werden in 1985 en 1988 twee adviseurs vermoord die voorstander waren van economische en politieke veranderingen. De moorden op D'Antona, in 1999, en op Biagi dinsdag zijn daar, ideologisch gezien, het logische vervolg op.