Buffelen in Rotterdam

Wat er ook te zeggen valt over de Rotterdamse politiek – saai is het niet meer. De spectaculaire verkiezingsuitslag heeft tot opmerkelijke taferelen in en rond het stadhuis geleid. Verslaggevers en cameraploegen kwamen in rotten van zes opzetten, de onderhandelingen over een nieuw college begonnen als een openbare hoorzitting en winnaars en verliezers moesten (en moeten) erg aan hun nieuwe rol en aan elkaar wennen. De Maasstedelijke schokgolf is nog lang niet uitgewerkt. Pas nu beginnen omvang en belang van de stembusuitslag contour te krijgen. Over de consequenties is niet veel meer te zeggen dan dat bijna alles afhangt van de bekwaamheid van de nieuwe stadsbestuurders die de partijen naar voren schuiven. Als ze er tenminste in slagen binnen afzienbare tijd en min of meer in harmonie een college te vormen. Veel gehoorde opvatting: er gebeurt eindelijk weer eens wat. Dat laatste is waar en niet waar. Post-electorale opwinding is er volop, maar tot veel vruchtbaars heeft dit nog niet geleid.

Misschien is het te vroeg daarvoor. Om te laten bezinken dat een nieuwe partij in één klap de grootste van de stad is geworden is tijd nodig. Acceptatie ervan, de omgangsvormen die het vergt, de assertiviteit en onervarenheid van de nieuwkomers, de mogelijke wrok der oudgedienden en de ongekende aandacht van publiek, media en landelijke politiek – dit hele complex maakt de formatiebesprekingen in Rotterdam tot meer dan een lastige klus. Het is op de tast dwalen door een mijnenveld. De partijen zijn zich hiervan bewust, getuige de omzichtige bewegingen van de afgelopen dagen. Er is wat aan elkaar gesnuffeld, leidsman Fortuyn van Leefbaar Rotterdam zei wat hij niet wilde (de PvdA), het CDA liet weten dat een coalitie met de Leefbaren alleen mogelijk is mét de PvdA en die laatste partij wil dat Leefbaar Rotterdam programmapunten formuleert voor een `inhoudelijke verkenning'. Vervolgens liepen de gesprekken vast. Veel kiezers zullen de wenkbrauwen hebben gefronst, en dan met name dat deel van het electoraat dat op Fortuyn heeft gestemd en nu verwacht dat de handen uit de mouwen gaan.

Lokale politiek is geen gemakkelijk vak. Het is meestal buffelen op de vierkante centimeter. De betaling is gering, de waardering nog minder en iedere vier jaar komt de openbare afrekening. In Rotterdam zouden ze zeggen: hard voor weinig. En dat alles in het publieke belang. Daar staat het mandaat van de kiezer tegenover – het hoogste goed dat er is in een democratie. Met macht en invloed als afgeleide. De verantwoordelijkheid is dan ook groot, in het bijzonder van de partij die de meeste stemmen heeft verworven. Leefbaar Rotterdam dient zich hiervan bewust te zijn. Fortuyn en de zijnen kunnen het zich niet permitteren een ellenlange formatie in te gaan, vol politiek gesteggel. De andere partijen, waarvoor hetzelfde geldt, moeten zich bovendien realiseren dat samenwerking met de Leefbaren onontkoombaar is en dat traineren of isoleren van Fortuyn c.s. de politieke nieuwelingen in de kaart speelt.

Er zal, kortom, hard gewerkt moeten worden: overleggen, concessies doen, bemiddelen. Burgemeester Opstelten, formeel boven de partijen staand, maar toch een beetje scheidsrechter en verzoener, heeft dat ingezien. Op zijn voorstel is gisteravond een informateur benoemd in de persoon van de Rotterdamse hoogleraar en politicoloog Van Schendelen. Dat is een belangrijke eerste stap. Vroeger moest binnen zes weken na de gemeenteraadsverkiezingen een college zijn gevormd. In de nieuwe Gemeentewet is die regel helaas geschrapt. De Rotterdamse situatie, die uitnodigt tot ruzies, patstellingen, lange formaties en stedelijke onbestuurbaarheid, vraagt om de strenge tijdslimiet van weleer. Zelfopgelegd dit keer, met als uitgangspunt dat het belang van de stad en de kiezer ermee is gediend.

Zes weken na zes maart: uiterlijk 17 april zou er een college moeten zitten. En liever eerder.