Toekomstpubliek

Mocht u in uw omgeving een mevrouw missen van tussen de zestig en tachtig jaar, smaakvol gekapt, in wol gekleed, met goede schoenen aan en zeer geïnteresseerd in kunst, dan moet u eens bij het Singer Museum in Laren gaan kijken. Zelfs op een doordeweekse ochtend lopen daar hele drommen van zulke mevrouwen. De uwe zou er best eens tussen zou kunnen zitten. Trouwens, als je goed kijkt lijken ze helemaal niet op elkaar, daarvoor zijn zij, mevrouw voor mevrouw, te smaakvol en te bijzonder. Maar met z'n allen zijn het er wel véél.

Ik vond hun aanwezigheid (vorige week donderdag) des te verbluffender, omdat in de krant tot op dat moment weinig te lezen was geweest over de tentoonstelling Van Barbizon tot Laren, die nu in het Singer te zien is. Dan verwacht je niet het geroezemoes, het geschuifel, en vooral de belemmerende aanwezigheid van een even bejaard als talrijk museumpubliek.

Mijn medebezoekers hadden (net als ik) gewoon goed opgelet, en we hadden gelijk want het is een leuke tentoonstelling. En waarom zeur ik eigenlijk over die grijze golf? Meewarig doen over de ouderdom is een primitieve neiging. Maar die is als het ware gesanctioneerd door het naoorlogse modernisme. Het leerde ons dat kunst kakelvers, opstandig, vitaal en vernieuwend moet zijn, en het bijbehorende publiek eveneens. Het ging om de jeugd, oude mensen waren ballast en dat begrepen ze zelf ook. Dus die hielden zich gedeisd.

Deze misplaatste gedachtegang zit heel diep, niet alleen in het hoofd van ieder die wel eens over kunst denkt, maar daarmee ook in het officiële cultuurbeleid. Hij moet dringend overboord worden gegooid. Als bejaarden de meest enthousiaste museumbezoekers zijn, als de literatuur in stand wordt gehouden door vrouwen van boven de 45, als de klassieke muziek lééft van de ouder wordende mens, wat zou dat dan? Nou, prevelt iemand, je moet toch ook aan de toekomst denken, aan de Nachwuchs, de jongeren die later het publiek moeten zijn

Hoe zegt u? Aan welke toekomst? De eerste dertig jaar komen er alleen maar meer bejaarden. Plannen maken voor een nog langere termijn is weinig reëel. Onlangs werd een prognose gepubliceerd omtrent het aantal dementen in de toekomst. Het leek een voor de hand liggende berekening, maar iedereen schrok er geweldig van, vooral omdat er zo veel verzorgingshuizen bij moesten komen. Begrijpelijk op zichzelf: het is een akelig idee om dement te worden, zorgen voor Alzheimerpatiënten is zwaar. Gadver, we denken er liever niet aan. Zouden de gediplomeerde beleidsmakers misschien liever ook niet denken aan een toekomst waarin bejaarden de belangrijkste cultuurconsumenten zijn?

Alles wijst erop dat de vijftigers van nu, van wie de meesten nog zeker een kwart eeuw goed ter been en helder van geest zullen zijn, meer willen dan klaverjassen en winkelen. Zij willen bezigheden die de moeite waard zijn. Studeren, musea bezoeken. Al was je het zelf. God weet, houdt het ze ook nog wat langer uit het verzorgingshuis.

Maar je hoort er nooit over. Kinderen, jongeren, allochtonen, die moeten naar de cultuur worden gesleurd. Nooit hoor je iemand zeggen dat ouderen het publiek van de toekomst zijn. Het klinkt ook raar, maar het is wel waar. Ook jonge, vitale kunst kan gewaardeerd worden door ouwetjes. Orkesten die uit dertigers bestaan kunnen zonder schade voor wie dan ook spelen voor zestigers. Kunst verrijkt, jazeker, maar toch vooral als je erom hebt gevraagd.

Misschien moeten er in de toekomst naast verzorgingshuizen ook steeds meer museumzalen bij komen. Je zou zelfs aan een vaste verhouding kunnen denken. Leve de vergrijzing!