Metselaars staan nog vroeger op dan boeren

Terwijl de bouwvakkers in de grote steden staken, metselt Johan Scholten aan de nieuwe loopstal van boer Mentink. Reizen naar het werk doet hij niet meer, wel is het beroep zelf zwaarder geworden. `Negenhonderd stenen per dag, dat is bijna niet te doen.'

Op de dag dat bouwvakkers in de grote steden staken bouwt Johan Scholten (45) met zijn collega's de loopstal van boer Mentink. Scholten metselt de melkcarrousel in de rondte. Daar passen straks tweeëntwintig koeien in en ruim acht keer zoveel koeien in de gehele stal. De `handlangers' plakken intussen de grijze lucht boven Deurningen dicht met golfplaten. Een heftruckbestuurder rijdt de specie en kalkzandstenen de ligplaatsen op en af. Ze noemen zichzelf geen bouwvakker. Ze zijn metselaar, timmerman, opperman, tegelzetter, of bijvoorbeeld voeger. De negen mannen staken niet, omdat de stakingen uitsluitend rond enkele prestigieuze bouwplaatsen georganiseerd zijn, zoals bij de Arena in Amsterdam.

Vader en zoon Mentink, in blauwe overal en regenlaarzen, cirkelen rond de stal in wording. Zij houden alles in de gaten. Vader Mentink, met jagershoed, zet ook de thermoskannen koffie en een bord speculaasjes in de bouwkeet. Ook langs de zijlijn: eigenaar Lansink van het gelijknamige bouwbedrijf, met de handen op de rug gevouwen. Scholten werkt al jaren voor Lansink, die zijn bedrijf een paar kilometer verderop heeft.

Vader Scholten was boer. Hij wilde dat zijn zonen een echt vak zouden leren. Één werd boer, één slager, één huisschilder. Johan werd metselaar, net als een van zijn broers. Hij wilde geen boer worden, dan moest hij veel te vroeg opstaan. Maar nu is het omgedraaid. Metselaars staan tegenwoordig vroeger op dan boeren, zegt hij. Zeker als ze ergens anders in het land moeten werken en lang onderweg zijn.

Als hij zonen had gehad, zegt Scholten (hij heeft drie dochters), dan had hij ze dan ook gezegd geen bouwvakker te worden. Ze hadden ergens binnen moeten werken, op kantoor ofzo. Het verdient net zo goed en de kans dat je op je drieënvijftigste wordt afgekeurd is een stuk kleiner. Scholten verdient zevenhonderd gulden per week. Het is veel te zwaar en hard werken in de bouw, vaak in de kou, zegt de Twentenaar die op zijn vijftiende als metselaar begon. Hij had toen al de Lts voor timmerman en die voor metselaar achter de rug, vier jaar bij elkaar.

De arbeidsomstandigheden zijn de afgelopen jaren enigszins verbeterd, zegt Johan. De cementzakken gingen van vijftig naar vijfentwintig kilo. De betonblokken van vierentwintig kilo werden afgeschaft. De kalkzandblokken, die daarvoor in de plaats kwamen, mochten nog maar veertien kilo zijn in plaats van achttien. ,,Dat is eigenlijk nog steeds te zwaar voor je rug.''

Maar tegelijkertijd werd de WAO aangescherpt en de werkdruk verhoogd. Vroeger, zegt Scholten, was het gemoedelijker. Een aannemer had aan één, twee woningen per jaar genoeg. In de zomer werden de huizen gebouwd, in de winter werden ze van binnen afgewerkt. Was het te koud, dan kreeg een bouwvakker vorstverlet. Nu kan een aannemer van vier of vijf woningen nog niet rondkomen, zegt Scholten. Meer werk dus, met evenveel personeel. Lansink heeft dertien man in dienst. Dat waren er enkele jaren geleden tien, maar die drie extra werknemers bewerken de golfplaten in de werkplaats en tellen dus eigenlijk niet mee. In plaats van een extra metselaar krijgen Johan en zijn collega's twee handlangers. Lansink zegt: ,,Het is moeilijk om goede mensen te vinden.'' Hij is tevreden over zijn personeel. ,,Ik mag niet klagen.''

Scholten begon bij Lansink, werkte toen voor het landelijke bouwbedrijf Dura, stapte over naar Lansink, naar Dura, en kwam weer bij Lansink terecht. Bouwvakkers zijn namelijk in vaste dienst, maar als er geen werk is, dan staan ze op straat. Ben je één jaar in dienst dan krijg je een aanzegging (dat is een opzegtermijn voor de werkgever) van een week. Na twee jaar heb je een aanzegging van een maand. Alleen de laatste keer dat hij van werkgever veranderde deed Scholten dat uit vrije wil. Van Dura moest hij iedere dag vanuit zijn woonplaats Weerselo naar het Van der Valkhotel in Hengelo. Daar pikte hij collega's op om in Amersfoort te gaan werken. Dat hield hij drie weken vol. Gelukkig is er sinds de jaren tachtig werk genoeg in de bouw. ,,De laatste elf jaar heb ik geen ontslagzegging meer gehad.''

Wat Scholten zelf van de verhoogde werkdruk merkt? Een paar jaar geleden moest hij zevenhonderd stenen metselen per dag, nu achthonderd of negenhonderd. ,,Dat is bijna niet te doen.'' Misschien zou het te doen zijn, als hij binnen die acht werkuren niet ook de steiger moest bouwen, de isolatie moest aanbrengen en na afloop alles weer moest opruimen en schoonmaken. Voor timmermannen is de afgelopen jaren het aantal kozijnen dat ze op een dag moeten stellen, of het verplichte aantal profielen dat ze zetten, verhoogd. In de grotere bowbedrijven krijgt het personeel 's ochtends een werkbon met opdrachten, dat ze aan het eind van de dag keurig ingevuld moeten inleveren. ,,Die bedrijven hebben soms tien man in dienst voor alleen het onderhouds- of het narooiwerk.''

Vijf jaar geleden verongelukte een collega. De steiger was verkeerd verankerd. Een andere collega kwam in het ziekenhuis terecht en is nog steeds niet hersteld. De ziektekostenverzekeringen in de bouw zijn niet voor niets erg hoog. Niet dat er vaak ongelukken gebeuren op de bouwplaats, zegt Scholten, maar als het mis gaat, gaat het goed mis. En het ziekteverzuim in de bouw is redelijk hoog, maar dat is vooral slijtage. Veel rugklachten en tennisarmen. Zelf heeft hij een keer spit gehad, zeven jaar geleden. Dat was eenmalig, maar hij is nog jong, zegt hij. ,,Na dertig, vierendertig jaar werken, dan begint de slijtage. En ik moet nog tot mijn zestigste.''