Mensenrechten: kritiek op Bosnië

Bosnië en Joegoslavië maken goede vorderingen waar het de situatie van de rechten van de mens betreft; maar vooral Bosnië moet het tempo van de verbeteringen opvoeren.

Dat concludeert namens de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties de speciale rapporteur inzake mensenrechten, José Cutileiro, in een gisteren gepubliceerd rapport.

In Bosnië is vooruitgang geboekt door juridische hervormingen die de terugkeer van etnische minderheden naar hun vroegere woonplaatsen mogelijk maakt. Maar volgens Cutileiro moeten de Bosnische autoriteiten nog veel werk verzetten. Er zijn nog meer dan 680.000 vluchtelingen in en buiten Bosnië voor wie geen duurzame oplossing is gevonden. Ook zijn er in Bosnië nog steeds gebieden waar minderheden gevaar lopen. Daarnaast zijn er gebieden waar mensen die in het verleden op grote schaal mensenrechten hebben geschonden, nu belangrijke sociale, politieke en economische functies bekleden.

Joegoslavië kreeg lof van Cutileiro wegens wetgeving ter bescherming van etnische minderheden, wetten die basisrechten als de persvrijheid garanderen en een amnestiewet voor Kosovaren die tijdens het bewind van president Miloševic zijn gearresteerd. Wel tekende Cutileiro daarbij aan dat nog steeds tweehonderd Kosovaren gevangen zitten. Belgrado werd verder geprezen wegens het onderzoek dat is verricht naar massagraven in Servië met Kosovaren die tijdens de Kosovo-oorlog zijn vermoord.

Ten aanzien van Kosovo maakt Cutileiro zich blijkens zijn rapport ,,grote zorgen'' zorgen over de ,,fysieke veiligheid en de mensenrechten van leden van de Servische en andere minderheden''. Het VN-bestuur ondervindt in Kosovo veel tegenwerking bij het ophelderen van etnisch gemotiveerde misdrijven, zo schreef Cutileiro. De Kosovaren kregen wel lof voor het ordelijke verloop van de parlementsverkiezingen van afgelopen herfst.