Homohuwelijk

De Commissie gelijke behandeling heeft uitgesproken dat er sprake is van indirecte discriminatie op grond van godsdienst, indien de aanstelling van ambtenaren van de burgerlijke stand die, wegens gestelde gewetensbezwaren geen huwelijken tussen personen van gelijk geslacht willen sluiten, niet wordt verlengd (NRC Handelsblad, 15 maart).

Daarbij maakt de Commissie mijns inziens een fundamentele juridische fout door `ambtenaren' zonder meer gelijk te stellen aan `burgers', met hetzelfde recht op uitoefening van hun grondwettelijke vrijheden. Ambtenaren zijn echter, althans in de uitoefening van hun functie, allesbehalve gewone burgers. Zij vormen immers de uitvoerende handen van de overheid. Deze bijzondere status is expliciet bepaald in de Ambtenarenwet, met name in de artikelen 125a en 125b. Zo stelt het eerste lid van artikel 125a in niet mis te verstane bewoordingen dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Alleen in artikel 125b wordt hierop één uitzondering gemaakt. In dat artikel is bepaald dat de ambtenaar niet is gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt. Andere uitzonderingen biedt de Ambtenarenwet niet.

Uit deze wettelijke bepalingen blijkt dus dat het een ambtenaar niet is toegestaan om het uitvoeren van bepaalde tot de functie behorende werkzaamheden te weigeren om redenen van religieuze aard. Ruimte voor gewetensbezwaren is er bij de uitoefening van een ambtelijke functie, hoe spijtig men dat ook mag vinden, dus niet.

In een samenleving met veel verschillende religies, maatschappelijke stromingen en culturen is het van groot belang dat de overheid zich op het levensbeschouwelijke vlak zo neutraal mogelijk opstelt.

Daarbij past het niet dat ambtenaren in de uitoefening van hun functie blijk geven van hun persoonlijke voor- en afkeuren en die mee laten spelen. Juist van de dienaren van de overheid mag (ik zou zelfs willen stellen: moet) neutraliteit in de uitoefening van hun functie worden verlangd.