Bouwfraude legt integriteitsproblemen bloot

Niet alleen binnen de bouw, maar ook bij andere bedrijven, justitie en in het openbaar bestuur dwingt de bouwfraudezaak tot bezinning op bestaande praktijken, vinden Hans van den Heuvel en Leo Huberts.

De bouwfraude-affaire wordt een ingewikkeld drama in vele bedrijven en op vele podia. De integriteit van de bouwsector staat op het spel, evenals die van justitie, de politiek en het bestuur.

Achter de schermen zijn de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwfraude en de Rijksrecherche inmiddels bezig de affaire te ontrafelen. Na een valse start, waarin Van Gijzel werd gediskwalificeerd, wordt nu bestuurlijk en strafrechtelijk geprobeerd de waarheid boven tafel te krijgen. Maar wordt de affaire, die naar te vrezen valt onderhuids al diep is ingekankerd, wel breed genoeg onderzocht en zien bestuur en justitie de gebeurtenissen in perspectief?

Al in de zomer van 2000 verschenen de eerste berichten in de krant. Een `ex-werknemer' van een bouwbedrijf meldde dat Nederlandse bedrijven onderling afspraken over aanbestedingen maken, waardoor private en publieke opdrachtgevers voor tientallen miljoenen zijn opgelicht. Hij wilde het openbaar ministerie van bewijzen voorzien, maar daar moest een vergoeding tegenover staan. Een patstelling volgde, totdat het televisieprogramma Zembla in november 2001 de aantijgingen herhaalde met de uit de anonimiteit stappende klokkenluider in de hoofdrol, de voormalige bouwbedrijfdirecteur Bos. Dankzij de media was de bouwfraude-affaire eindelijk een maatschappelijk erkend feit.

Met de moraal van de aannemerssector is duidelijk iets mis. Er is maar één remedie om de reputatie weer op te krikken: volledige opening van zaken en van binnenuit saneren. Maar het is twijfelachtig of de sector daartoe in staat is: of er komt openheid of een geregisseerde informatieverschaffing. In het laatste geval zouden klokkenluiders uitkomst kunnen brengen en wordt de hervorming van de sector een slepend, pijnlijk, langdurig en misschien wel ondermijnend proces. Dat zou ook een waarschuwing inhouden: de samenleving neemt maatschappelijk verantwoord ondernemen veel serieuzer dan het bedrijfsleven in de gaten heeft.

Ook de integriteit van het openbaar bestuur staat ter discussie. De beschuldigingen van klokkenluider Bos zijn schokkend. Meer dan vijftig ambtenaren van Rijkswaterstaat zouden giften, diensten en steekpenningen hebben aangenomen. Dat vraagt om een serieuze reflectie op integriteitshandhaving en harde actie tegen corruptie. Tot nu toe heeft de affaire nog tot weinig politiek-bestuurlijk gewetensonderzoek geleid.

Justitie en politie moeten een grondig feitenonderzoek instellen. Het gaat om ernstige strafbare feiten. De eerste reactie op de verdenkingen was erg lauw. Twee jaar lang bleef justitie erg passief. Ook de schikkingen deden haar reputatie geen goed. De komende maanden zullen leren of minister en kabinet crimineel gedrag serieus aanpakken. Het is nog steeds niet duidelijk of wel voldoende personele capaciteit (recherche), forensische deskundigheid en opsporingsmiddelen worden ingezet om dichterbij de waarheid te komen. De grootscheepse invallen van gisteren zijn te beschouwen als een inhaalslag van justitie.

De Parlementaire Enquêtecommissie Bouwfraude bereidt het bestuurlijk onderzoek voor, dat vooral is gericht op bouwbedrijven en aanbestedingsprocedures. Veel vragen dreigen daarmee onbeantwoord te blijven. De corruptiegevoeligheid van Rijkswaterstaat verdient evenzeer aandacht. Dat geldt ook voor het integriteitsbeleid van de ministers, met name hun daadkracht voorafgaand aan de commotie over de affaire. Niemand is in staat alle corruptie tegen te houden, maar wie niets doet, handelt nalatig. De bouwfraudeaffaire biedt een ideale kans om het integriteitsbeleid van de overheid, preventief en repressief, tegen het licht te houden.

Soortgelijke vragen gelden voor de banden van de politiek met de bouwsector. Kabinet en Tweede Kamer blonken tot nu toe niet uit in het kritisch kijken naar eigen potentiële belangenconflicten. We weten niets over mogelijke belangenverstrengeling tussen de bouwsector en volksvertegenwoordigers. De Kamer zal daarover duidelijkheid moeten verschaffen en zo de touwtjes moeten aanhalen. Ook voor zichzelf.

De Enquêtecommissie zou bovendien de blik vooruit moeten werpen. Enkele ideeën. De commissie zou het bedrijfsleven kunnen adviseren een meldpunt voor corruptie en fraude op te richten, waarbij meteen kan worden aangesloten bij tegenwoordige vereisten vanuit de OECD-conventie tegen omkoping in het buitenland. We kennen een meldpunt voor de overheid, weggestopt bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst, maar voor banken en bedrijven bestaat zoiets nog niet.

Ten tweede is bezinning op de omgang met klokkenluiders wenselijk. De publieke sector is daarin verder dan de markt, maar de bestaande regeling werpt al te veel hindernissen voor de potentiële klokkenluider op. Verbetering, alsmede uitbreiding naar de private sector liggen voor de hand.

Ten derde moeten de bindingen tussen de bouwsector, de ambtenarij en de politiek transparant worden gemaakt en moet worden vastgesteld wat we anno 2002 aan geschenken en andere plezierige externe emolumenten in de ambtelijk dienst aanvaardbaar vinden. In andere landen bestaat openheid over de financiën van de politieke en ambtelijke elite. Veel parlementen en kabinetten kennen gedragscodes met richtlijnen voor het handelen. De kabinetsformatie biedt de kans op vernieuwing, de enquête zou een voorzet kunnen geven. De integriteit van de bouw, het economisch bestel, het openbaar bestuur en van justitie staat op het spel. Zowaar geen kleinigheid.

Prof.dr. J.H.J. van den Heuvel en prof.dr. L.W.J.C. Huberts zijn verbonden aan de Afdeling Bestuurs- en Communicatiewetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam, respectievelijk als hoogleraar beleidswetenschap en hoogleraar politiestudies.