VOC

Vierhonderd jaar geleden, op 20 maart 1602, verleenden de Staten-Generaal een concessie aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De VOC kreeg met dit octrooi het alleenrecht op de handel met Azië, het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat van Magelhaen. Tevens kreeg de Compagnie verregaande militaire, juridische en diplomatieke bevoegdheden om oorlogen te voeren, verdragen te sluiten en handelsposten te openen. De VOC was een particuliere onderneming, de bundeling van de handelskamers van zes steden, met Amsterdam als grootste en machtigste, waarin de plaatselijke kooplieden zich hadden verenigd. Met een kapitaal van 6,4 miljoen gulden, bijeengebracht door een aandelenuitgifte, ging ze van start. Het was een voorloper van een moderne kapitalistische onderneming en een vroege vorm van publiek-privaat partnerschap.

Twee eeuwen beheerste de VOC de Nederlandse handel met Azië en daarin was de onderneming over het geheel genomen buitengewoon succesvol. Mede dankzij de VOC was in de Republiek van de 17de eeuw sprake van een uitzonderlijke welvaartstoename. Niet alleen door de handel zelf, maar ook door de nijverheid die de VOC in de Republiek genereerde: de scheepswerven, de touwslagerijen, de kanonnengieterijen, de pakhuizen. De VOC gaf een impuls aan de ontwikkeling van nieuwe technieken voor navigatie en zeevaart. Ook de landbouw profiteerde: de schepen moesten bevoorraad worden voor hun lange tochten. In de 17de en 18de eeuw groeide de VOC uit tot de grootste werkgever in de Republiek. Ze gaf een impuls aan de ontwikkeling van het bank- en kredietwezen, waarbij Amsterdam het financiële centrum van de wereld werd. In de beginjaren legde de VOC zich overigens niet alleen toe op handel en zeevaart, maar evenzeer op kaapvaart en oorlogvoering. De Nederlandse koloniale expansie in het Verre Oosten ging immers ten koste van de Portugezen die honderd jaar eerder de route naar Indië hadden ontdekt en daar al hun factorijen en handelsposten bezaten. Als enige mocht de VOC handel drijven met Japan op het eilandje Dejima.

De VOC heeft een bijzondere rol in de Nederlandse economische en politieke geschiedenis gespeeld. Dat moet in perspectief gezien worden: de Compagnie kwam op in de tijd van de Europese mercantilistische expansie in de wereld. Verbonden met de handel in specerijen waren roof, moord, onderdrukking, oorlog, wreedheid jegens inheemse bevolkingen en onverschilligheid jegens het eigen personeel op de schepen. Uit de vroege handelsposten van de VOC kwam de latere territoriale onderwerping van de Indische archipel voort.

De Indonesische regering heeft te kennen gegeven morgen niet bij de officiële herdenking van de VOC-oprichting aanwezig te willen zijn. Dat is jammer, want ook voor Indonesië heeft de VOC veel betekend. Nederland hoeft zich voor de gedragingen van de VOC niet op de borst te kloppen, maar deze evenmin te bagatelliseren. Nadat de Nederlandse handel in de 16de eeuw zich richtte op Europa, opende de VOC de wereld. Die naar buiten gerichte mentaliteit, de bereidheid risico's te nemen, grenzen te verleggen, ontdekkingen te doen en kennis te nemen van een nieuwe wereld was een even grote bijdrage aan de Nederlandse dynamiek in de Gouden Eeuw als de welvaart die de handel in peper, nootmuskaat, kruidnagelen en porselein met zich meebracht. Openheid voor de wereld – dat is net zo actueel als vierhonderd jaar geleden.