Te weinig hulp grofste inefficiency

Ontwikkelingshulp wordt doelmatiger, concludeert de Wereldbank. Maar er is nog genoeg efficiency te winnen. Niet alleen bij de ontvangers, maar zeker ook bij de donoren.

Opvoeren van het bedrag dat het Westen jaarlijks uittrekt voor ontwikkelingssamenwerking is een van de hoofddoelen van de conferentie Financing for Development die deze week in het Noord-Mexicaanse Monterrey wordt gehouden. De centrale vraag daarbij is: helpt het? Doen de gemiddeld rond 50 miljard dollar (56,6 miljard euro) die jaarlijks van noord naar zuid vloeien hun werk wel?

Steeds beter, concludeert de Wereldbank in een recent rapport over de rol en effectiviteit van ontwikkelingshulp. Het rapport moet de claim ondersteunen dat er jaarlijks 40 tot 60 miljard dollar extra nodig is om in 2015 de doelen te halen die de internationale gemeenschap zich anderhalf jaar geleden heeft gesteld.

Hoofddoel is het halveren van het aantal mensen dat moet rondkomen van minder dan een dollar per dag. Door middel van statistisch onderzoek concludeert de Wereldbank dat in 1990 een miljard dollar aan ontwikkelingshulp 105.000 mensen permanent boven de armoedegrens van 1 dollar (1,13 euro) per dag uittilde. In 1997-1998 deed hetzelfde bedrag aan ontwikkelingshulp dat al voor 284.000 mensen.

Een van de redenen voor de effectiviteitsverbetering is volgens de Wereldbank de veranderde visie op hulp. De planmatige aanpak van de jaren vijftig en zestig werkte niet om de armoede terug te dringen, evenmin als de op de vrije markt gerichte benadering van de jaren tachtig en vroege jaren negentig. De aanpak die nu snel terrein wint, en waarbij het ontvangende land zelf een veel grotere rol speelt, is veelbelovend. Hulp wordt hier gezien als de startmotor voor een intern ontwikkelingsproces. De overheid van het ontvangende land richt zich op het bereiken van macro-economische stabiliteit, een betere infrastructuur en andere voorwaarden die een investering in zijn inwoners vruchtbaarder maken. In 1990 kregen landen met een volgens deze criteria `slecht' beleid nog 44 dollar ontwikkelingshulp per inwoner, tegen 39 dollar per inwoner voor landen met `goed' beleid. Reden voor die scheve verdeling is dat destijds de Koude Oorlog nog maar net voorbij was, en geopolitieke overwegingen overheersten bij de verdeling hulp. Eind jaren negentig, toen dit fenomeen veel minder speelde, was ook de verdeling omgedraaid: landen met een `slecht' beleid ontvingen nog maar 16 dollar per inwoner, terwijl landen met een `goed' beleid 28 dollar ontvingen. Dat heeft geresulteerd in de grotere effectiviteit van de gemiddelde hulp die de Wereldbank meet.

Caroline Wildeman, namens de Nederlandse medefinancieringsorganisatie Novib aanwezig in Monterrey, is sceptisch. Een fors deel van de jaarlijkse hulp is nog steeds `gebonden'. Dat wil zeggen dat het ontvangende land de hulp moet besteden aan producten of diensten die worden geleverd door bedrijven in het gevende land. Van wat door de Verenigde Staten en Canada wordt opgevoerd als ontwikkelingshulp, bestaat voor 70 procent uit gebonden hulp. Anders gezegd: ruim tweederde van de `hulp' wordt besteed in het gevende land zelf. In Europa is het vaak niet veel beter: ook ruim tweederde van de Spaanse en Italiaanse hulp is volgens Wildeman gebonden. Voor Duitsland en Frankrijk ligt het percentage, met 10 procent, beduidend lager en Nederlandse hulp is maar voor 4 procent gebonden. ,,Gebonden hulp is per definitie minder effectief dan ongebonden hulp'', aldus Wildeman. De geleverde producten sluiten vaak meer aan bij de wensen van leverende bedrijven, dan de noden van het ontvangende land. Dat de Amerikaanse president Bush vorige week nog aandrong op grotere effectiviteit van de hulp is in dat licht nogal opmerkelijk, vindt Wildeman. Beter is het daarom om na te gaan welk deel van de hulp daadwerkelijk besteed wordt aan wat de `basisvoorzieningen' worden genoemd: lager onderwijs, gezondheidszorg en schoon drinkwater. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaat bijvoorbeeld slechts 1,5 procent van alle ontwikkelingshulp naar het verbeteren van het basisonderwijs.

Harvardeconoom Jeffrey Sachs is speciaal adviseur van secretaris-generaal Kofi Annan van de Verenigde Naties. Sachs, die gisteren optrad in Monterrey, hamert al geruime tijd op het terugdringen van ziekten als malaria en aids als een van meest effectieve middelen voor ontwikkeling. ,,Per jaar gaan er drie miljoen mensen onnodig dood aan ziekten waarvoor medicijnen zijn, zoals malaria en tuberculose. Er zijn al 25 miljoen doden door hiv/aids en 65 miljoen geïnfecteerden, zonder dat iemand medicijnen heeft gekregen onder een internationaal programma'', aldus Sachs. Hij haalde gisteren Bush aan, die vorige week tegen ontwikkelingslanden zei: ,,Laat ons resultaten zien, en wij zullen die belonen.'' Dat geldt volgens Sachs andersom ook voor de donoren, die evengoed moeten worden afgerekend op resultaat. Als het geld besteed aan basisonderwijs en gezondheidszorg volgens het moderne jargon beschouwd wordt als een investering in menselijk kapitaal, dan is onnodige sterfte op te vatten als kapitaalvernietiging. En vernietiging van kapitaal is de allergrofste vorm van inefficiency.