Spionnen

Op het bed lagen de poezen te suffen, maar een was er nog wel bij de wereld, want toen ik voorbij liep zei ze vriendelijk `konijn', een beetje miauwerig maar toch duidelijk verstaanbaar. Het is een koosnaampje waarmee ik in huis wel eens wordt aangesproken en dat had ze kennelijk gehoord. Gelukkig dat ze nog horen kan, want daar twijfelde ik wel eens aan.

Deze stukjes stuur ik altijd 's ochtends naar de krant. Eerst naam en wachtwoord invullen op de computer en dan klinken er drie doffe bonken bij de mededeling `wachtwoord in orde'. Na die drie bonken betrokken de poezen de wacht achter de deur van mijn kamertje.

Het duurt een minuut of twee om het stuk door te sturen en dan laat de computer drie triomfantelijke klaroenstootjes horen: `artikel ontvangen'. Of het een mooi of een lelijk artikel is maakt wat dat betreft niet uit, dat is het mooie van de computer. Bij die klaroenstootjes maakte zich altijd grote opwinding meester van de poezen, want ze wisten dat ik daarna de kamer uit zou komen om eten te geven.

Zo ging het vele jaren, maar nu niet meer en ik was bang dat ze doof waren geworden en de computergeluiden niet meer konden horen, maar kennelijk is dat niet zo en komt het door het bejaardendieet dat niet lekker genoeg is om opwinding te veroorzaken.

Ik liet natuurlijk niets van verrassing merken toen ik opeens met konijn werd aangesproken, want ik wil dat niet aanmoedigen. Er bestaan mensen die hun huisdier omhelsd zouden hebben, `eindelijk praat je tegen me, ik wist het wel, maar waarom duurde het zo lang?', maar zo ben ik niet. Wie weet of het wel goed zou bevallen wat ze zouden zeggen?

,,Niet waar de kinderen bij zijn'', zeiden nette ouders vroeger tegen elkaar, in het Frans, zodat de kinderen het niet konden begrijpen. Tegenover de huisdieren neemt niemand discretie in acht, we doen maar en het maakt ons niet uit wat ze allemaal zien, horen en ruiken. Ze kunnen het toch niet doorvertellen, denken we.

Dag en nacht nemen ze ons waar, de stil sluipende spionnen waarvan we zelden weten waar ze precies zijn. Soms zijn ze in het hele huis niet te vinden. Heeft de buitendeur soms open gestaan en zijn ze weggelopen? Je maakt al briefjes om huis aan huis in de brievenbussen te stoppen, maar dan is het opeens alsof ze in drie kamers tegelijk kunnen zijn, want overal waar je een deur open doet schieten ze weg, betrapt op hun spionageactiviteiten.

Man en vrouw kennen elkaar slechter dan de poezen hen kennen, want de poezen zijn er altijd. Het is alsof in iedere kamer een bewakingscamera staat die alles opneemt. Aan privacybescherming denken we niet. Ze kunnen toch niet praten, of in ieder geval doen ze het zelden, en het is ook nog lang niet zo dat hun waarnemingen reproduceerbaar zijn uit de windselen in hun brein, maar wat dat betreft staat de wetenschap niet stil.

Iedere herinnering wordt opgeslagen en moet in principe door de hersenwetenschappers weer uitgepeld kunnen worden. Er wordt al veel over geschreven, vooral door de mensen van de `kunstmatige intelligentie', die de hersenen graag als een computerschijf zien.

Als het zover is zullen na de dood van beroemde mensen de biografen niet het huis binnensluipen om de correspondentie te stelen, maar om de kat te vangen.

Ze zijn wel erg oud en suf geworden, onze poezen. Zelfs de eiwitrijke duif achter het raam brengt ze niet meer tot opwinding. Spoedig zullen ze onze geheimen meenemen in hun graf.