Langs de Roer

Als noorderling betreed je een andere wereld, daar achter Roermond. `Biej de Meule' staat er bij de witte molen van Melick; `Biej Sjengske' lees ik in de naar paters en kanunniken vernoemde straten van St. Odiliënberg. De topografische kaart heeft het over de `Melicker Ohé' en de `Herkenbosscher Ohé'.

Wat is een Ohé? `Vruchtbaar alluviaal land aan een water', zegt mijn `Plaatsnamenboek'. Afgeleid van het Germaanse agwjo; vergelijk ooij. Ja, de Ooijpolder bij Nijmegen klinkt mij bekend in de oren.

We verkennen een stukje van het Maas-Swalm-Nettepad, het nieuwste streekpad van Nederland. Het slingert zich tweehonderd kilometer lang door Midden-Limburg en het aangrenzende Duitse gebied. Het gidsboekje spreekt van een `relatief onbekende streek' van riviertjes, bossen, heiden, watermolens en burchten. De Duitse kant van het Grenspark mag dan voor Nederlanders tamelijk onbekend terrein zijn, dat is het niet voor de duizenden inwoners van het nabije Ruhrgebied die hier 's zomers naar hun stacaravan verhuizen.

We laten ons oog vallen op een traject aan de zuidkant van de route, van Vlodrop-Station naar St. Odiliënberg (ca. 20 km). Vlodrop-Station blijkt de naam te zijn van een restaurant, een hotel en een paar woonhuizen. `IJzeren Nein wil geen trein', luidt de tekst op een bord waarop Dick Bruna's Nijntje staat afgebeeld. Op het eerste gezicht een duistere tekst. Tot je beseft dat de IJzeren Rijn, een oude goederenspoorweg, zijn rails en bielzen tien meter verderop tussen de bomen uitstrekt. Loop je de ene kant op, dan kom je in Antwerpen; ga je de andere kant op, dan verzeil je in het Ruhrgebied.

Over die spoorweg is momenteel veel te doen; de Belgen willen hem nieuw leven inblazen, maar Nederland heeft weinig behoefte aan een concurrent van de Rotterdamse haven en de Betuwelijn. Ook de Limburgers moeten er kennelijk niets van hebben.

Over een bospad komen drie luid pratende Indiërs aangelopen, gehuld in lange witte sari's en sportjacks tegen de kou. Ze passeren het bord met `Maharishi University of Management' en vervolgen hun wandeling over de oprijlaan naar het voormalige St. Ludwigs College. Het enorme kloostercomplex, dat ooit door Franciscaner monniken werd bewoond, is nu het hoofdkwartier van hindoes die de term `transcendente meditatie' hoog in het vaandel voeren. Hun plannen om het klooster te slopen en te vervangen door een oosters heiligdom, en om in de naaste omgeving nog eens tweeduizend volgelingen onder te brengen, hebben in de omringende dorpen veel stof doen opwaaien. Vroeger waren kloosters brandpunten van de missie in de koloniën; nu zijn de kloosters zelf door een ander geloof gekoloniseerd.

Op de grond achter het klooster is al menige nieuwe bungalow in aanbouw. Buiten het hekwerk, dat het gehele terrein omringt, bevindt zich een kapel met kerkhof. De smalle graven zijn met dezelfde lage heesterstruiken begroeid en voorzien van dezelfde zwart-ijzeren kruisen. Voor de familienaam staat de kloosternaam: Vitalis, Dagobertus, Seraphinus, Cherubimus, Hyacinthus, voorzien van een P (pater) of B (broeder). Niemand van hen stierf na 1946.

De geel-rood gemarkeerde route zoekt zich een weg door de bossen van de Meinweg, een van de minder bekende nationale parken in Nederland. Natuurlijk beschikt het park over een bezoekerscentrum – een architectonisch speeltje met `ecologisch' dak – maar dat is gesloten. Over een zandpad, de `Lange Luier' geheten, naderen wij Herkenbosch. We scheren langs een kasteeltje, zien aan de Hoofdstraat een paar mooie vakwerkhuizen en duiken vervolgens het vruchtbare alluviale land van de Ohé in. Begeleid door kleppende kerkklokken wandelen wij naar het blinkende lint van de rivier. Op een bord staat het woord `stiltegebied'. Even verderop kondigt een ander bord een schietterrein aan. In Nederland probeert men zelfs de meest tegenstrijdige zaken met elkaar te verzoenen.

Wij zien wel dat de Roer ver buiten zijn oevers is getreden, maar het duurt even voor we beseffen dat ook het wandelpad in de stroom is verdwenen.

Al improviserend weten we Melick te bereiken. Bij Biej de Meule dalen we af naar de Melicker Ohé; daar is zelfs de afrit van het houten bruggetje in het wassende water verdwenen. Opnieuw zoeken wij het hoger gelegen land op. Nog een paar kilometer scheiden ons van de tweelingtorens van de basiliek van St. Odiliënberg, waar schrijfster Connie Palmen ooit woonde en waar Sjengske nog steeds woont.

Het `Maas-Swalm-Nettepad' is een uitgave van het Nivon. Verkrijgbaar in de boekhandel.