Gaswolk

Voorjaar. In de lichamen van de dieren voltrekken zich weer grote en kleine wonderen. Ook in het mijne. Een oud instinct zegt me dat ik me moet voorbereiden op grootse daden. Het rijden van Parijs-Roubaix bijvoorbeeld. De natuur is een kei in het maken van misplaatste grappen. Maar in mijn holistische hardfietsperiode was het voorjaar allesbehalve een misplaatste grap. Het was de kernreactor in het verborgene van het merg.

Wanneer de dagen begonnen te lengen, rekte het dier zich eens flink uit. Gretig naar zweet en asfalt tastte het naar de fiets. De jacht werd geopend in Zuid-Frankrijk. Hoe wonderbaarlijk snel en hoe ontroerend de slaaf Het Lichaam zich altijd weer aan de ranselpartijen aanpaste. Spieren die mals en elastisch werden. Vermoeidheid en kramp die werden uitgesteld, en steeds weer verder werden uitgesteld, totdat het dier bloed begon te ruiken.

Ook de holle spier achter het borstbeen bleef niet achter in de aanpassing. Het hart pompte majestueus en sonoor, steeds krachtiger, tot het leek op de vuist van een dokwerker. In rust sloeg het nog trager dan veertig keer per minuut. (Daar heb ik nog eens een meisje de stuipen mee op het lijf gejaagd. Ze dacht echt dat het hart ermee stopte.)

De wonderbaarlijkste van alle aanpassingen was die van de spijsverteringsorganen. Niet te geloven in welk een tempo zij het voedsel vermaalden en verteerden. En er werd me, uit noodzaak, een vracht voer naar binnen gesmeten. Een normaal mens zou alleen al bij het zien ervan zijn vinger in de keel steken.

Dat er het nodige verteerd werd, was te ruiken in het peloton. Met de grootste regelmaat werden verteringsgassen uitgeblazen. Door het effect van de zuigkracht van het peloton bleven die gassen in een merkwaardige homogene wolk ik zou bijna zeggen: als een individu met de meute mee marcheren. Op den duur leerde je ze kennen, de wolken. Elke coureur zijn vingerafdruk.

Zoals de gaswolk zijn individuele geurkarakteristieken bezit, zo ook de vaste substantie. Mijn vaste slapie uit mijn beginjaren wierp elke ochtend consequent driemaal in de hotelpot alvorens zich in de koersbroek te steken. De toch al niet sterke geur bezat een hoog zelfoplossend vermogen. Hij verdween even snel als hij gekomen was. Dat beviel me wel. Natuurlijk kent ook de stank zijn rangorde.

Ik was nog een heel erg jonge professional zonder overwinning of anderszins heldhaftige daad achter mijn naam, toen ik voor de start van een criterium op mijn beurt wachtte voor een gesloten toiletdeur. Door de kieren heen kwam het me tegemoet, een stank die leek te zijn samengesteld uit lijklucht en de geur uit het binnenste van een vuilniswagen. Het spoelmechanisme werd in werking gezet, en tevoorschijn trad misschien wel de grootste wielrenner die Nederland gekend heeft, Joop Z.

,,Het bestaat dus'', zei ik, ,,hemel en aarde verenigt in één persoon''.

Joop Z. passeerde me alsof ik lucht was.