`Agrotoerist helpt boeren'

Minister Brinkhorst (Landbouw) ziet wel toekomst voor boeren in Nederland. Maar waarom zou hij het jammer vinden als ze liever elders gaan?

Laurens Jan Brinkhorst heeft aan het einde van zijn eerste en naar eigen verwachting laatste ministerschap (Landbouw) niet de reputatie een groot pleitbezorger te zijn van de Nederlandse landbouwsector. Boeren denken dat hij hen kwijt wil. ,,Ik krijg talloze brieven daarover,' erkent hij op zijn werkkamer in Den Haag.

Recentelijk weigerde een onderscheiden tuinbouwer een prijs uit zijn handen te ontvangen. ,,Hij had in De Boomkwekerij gelezen dat ik tuinders weg wil hebben,' vertelt Brinkhorst, die hem door een bezoek hem van het tegendeel overtuigde. Tegen zijn voorlichter: ,,Trouwens, heeft die man mijn nota Voedsel en Groen al ontvangen?'

Deze week, waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, presenteert Brinkhorst een verkenning waarin staat dat landbouw wel economische perspectieven heeft in Nederland. De studie over `De Nederlandse agrosector bij handelsliberalisatie en EU-uitbreiding' wil een antwoord zijn op de voorspelling dat de landbouw in het steeds vollere en dure Nederland niet kan overleven. Dat is, zegt Brinkhorst ,,vreselijk gepiep'. Kijk maar naar het grondbezit in Nederland, zegt hij: zestig, zeventig procent is in handen van de boeren, en de teruggang daarvan is in veertig jaar maar ,,heel bescheiden' geweest.

,,Er is evident toekomst voor de landbouw in Nederland.' Dat hoeft wat hem betreft individuele boeren er niet van te weerhouden elders te beginnen. Tien procent van de Deense melkproductie wordt door Nederlandse boeren in Denemarken geleverd, weet hij. ,,Dat kan ik alleen maar waarderen,' zegt hij. ,,Als zij daar tegen lagere quotumkosten beter aan de gang kunnen, waarom zou ik dan zeggen, dat is jammer voor Nederland?'

De toekomst van de landbouw in Nederland zal getekend worden door ingrijpende veranderingen. Volgens de verkenning zullen sectoren die nu geheel afhankelijk zijn van Europese steun, zoals de schapenhouderij en de rundvleessector – beide overigens reeds klein – op een vrije markt verloren gaan, behalve wanneer zij hun verdiensten uit andere bronnen krijgen, zoals natuurbeheer of recreatie. Nu ongesubsidieerde takken als de tuinbouw en de intensieve veehouderij daarentegen houden internationaal ,,een goede uitgangspositie'.

Krimp van de intensieve varkens- en pluimveehouderij zal ,,eerder door eisen voor welzijn en milieu dan door liberalisering' komen. Volgens Brinkhorst, die sterk gelooft dat de consument steeds hogere eisen aan de kwaliteit zal stellen, houdt Nederland ,,altijd wel intensieve veehouderij', maar ,,kleiner'. Pluimveestallen zullen ook in de noordelijke provincies verrijzen, bij akkerbouwers die door het wegvallen van Europese steun andere inkomsten moeten zoeken.

,,Noord-Groningen was in de achttiende eeuw al een zeer uitbegreid veeteeltgebied, tot de runderpest kwam,' zegt Brinkhorst daarover. ,,Het is begrijpelijk als er nu veeteelt terugkeert,' al verwacht hij niet ,,een geweldige roze vloed van varkens naar het noorden.' Hij zou dat overigens niet willen verbieden, op ruimtelijke of landschappelijke gronden: ,,Je moet geweldig oppassen allemaal hekken om delen van Nederland te zetten,` vindt hij. ,,We zijn al zo'n piepklein land.'

Ook aan de melkveehouderij dicht het ministerie kansen toe op de wereldmarkt, onder meer door dalende kosten voor het melkquotum – terwijl de wereldmarktprijzen voor zuivel naar verwachting stijgen. De melkveehouderij wordt wel intensiever en grootschaliger. De melkproductie per koe stijgt verder en drie kwart van de koeien komt nooit meer buiten.

Brinkhorst, die vorig jaar een toekomstvisie over de veehouderij omhelsde waarin stond dat koeien buiten moeten grazen, legt zich daar gedeeltelijk bij neer: ,,Er zullen minder koeien buiten staan. Maar het streven is zeker om voor omstandigheden te zorgen dat koeien buiten zullen staan.' Hij denkt aan de betrokkenheid van boeren bij zaken als natuurbeheer en agrotoerisme. Voor een deel hangt het af van (al dan niet door lidstaten meegefinancierd) Europese beleid, waarin het traditionele markt- en prijsbeleid verschuift naar plattelandsbeleid. Voorwaarde is dat dit in de Wereldhandelsorganisatie als niet-verstorend voor de handel blijft gelden.

Meer in het algemeen is Brinkhorst van mening dat, in de Europese Unie en in de WTO, ,,de kwaliteit van de samenleving' tegenwicht moet bieden aan de vrijhandel. ,,Liberalisering kan niet het enige woord zijn als je praat over het landbouwbeleid,' vindt hij, vanwege de hogere eisen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid. ,,Geleidelijk,' meent hij, ,,moet je naar wereldwijde afspraken' over hoge productiestandaarden, ,,maar dat zal lang duren.'

In de tussentijd moet de Europese markt niet opengaan voor producten uit ontwikkelingslanden die niet aan die hoge eisen voldoen. ,,Je kunt geen salmonella-kippenvlees uit Tanzania accepteren omdat het uit Tanzania komt.' Het komt wat hem betreft aan op ,,werkelijke ontwikkelingssamenwerking': die landen helpen aan dierenwelzijns- en milieuvriendelijke productiemethodes.