Voorbeeld

In de Warmoesstraat in Amsterdam wandelde op zondagmiddag een vrouw van middelbare leeftijd te midden van plukjes toeristen. Ik liep aan de overkant en zou niet op haar gelet hebben als er niet plotseling twee tegen de gevel geplaatste fietsen met het nodige geraas achter haar neerstortten. Het moet door een windvlaagje veroorzaakt zijn, want zij was de plek al even gepasseerd toen het gebeurde. Ze keek naar me met een blik van meewarigheid – kan het ook niet helpen – en liep door.

De vrouw bleef voor een winkel staan en inspecteerde de vitrine. Op dat moment maakte zich even verderop een lange, blonde man uit een groepje jongeren los. Hij was de oudste van het gezelschap dat op het punt stond een huis, vlakbij de gevallen fietsen, binnen te gaan. Met kalme, vastberaden tred liep hij naar de vrouw toe, bracht zijn hoofd dicht bij het hare en zei luid en duidelijk: ,,Mevrouw, u bent een voorbeeld voor de jeugd.''

Onmiddellijk daarna wendde hij zijn hoofd af, draaide zich om en liep waardig naar de fietsen. Hij raapte ze op en plaatste ze met overdreven behoedzaamheid tegen de huizengevel terug.

Voor een moment lamgeslagen bezag de vrouw deze korte demonstratie van burgerzin. De ironie van zijn woorden moest zich nog wat dieper in haar brein boren. Toen liep ze in de richting van de man en riep: ,,Maar ik heb die fietsen helemaal niet...''

De man bekeek haar niet. Hij gaf de fietsen nog een zorgzaam aaitje, klopte wat stof van zijn handen en liep terug naar de jongeren die het tafereel zwijgend hadden gadegeslagen. Het groepje verdween in het belendende huis en de vrouw stond moederziel alleen met haar schaamte op de stoep. Ze keek naar mij. ,,U heeft toch ook gezien dat...'', zei ze.

Ik knikte.

,,Ik heb veel zin om bij die kerel aan te bellen'', zei ze. ,,Hij denkt vast dat ik die fietsen heb laten vallen.''

,,Hij zal zeggen dat u ze ook wel had kunnen oprapen als u er niets aan kon doen.''

Ze wees om zich heen in de rommelige straat. ,,Maar dan kun je in dit soort buurten wel aan de gang blijven! Ze kunnen hun fiets toch ook beter neerzetten?''

Het was een dilemma waar ik niet zo snel een oplossing voor wist en ik zei daarom maar: ,,Ik zou maar niet naar hem toegaan. Het lost niets op.'' Ik groette en liep door. Ze aarzelde even en liep toen ook weg eindelijk een vrouw die naar me luisterde.

Het voorval liet me niet los, zeker niet toen ik een paar dagen later ongeveer hetzelfde zag gebeuren: een vrouw stapte over een fiets die vlak voor haar was gevallen. Wie heeft er gelijk? Die man of die vrouwen? En wat zou ik zelf doen? Moet je de rotzooi opruimen die anderen hebben veroorzaakt?

Misschien wel. Maar toch was mijn sympathie niet bij die man. Hij deed me denken aan jongetjes, vroeger op school, die vrijwillig nableven om de klas op orde te brengen. Ze klikten ook graag, die jongetjes. Later, als ze collega zijn, naaien ze je achter je rug. Nare jongetjes (of meisjes).