Teugels aangehaald in Kirgizië

De rellen in Dzjalalabad vormen een eerste gewelddadige uiting van ongenoegen over de teloorgang van de democratie in het doorgaans rustige Kirgizië.

Vrijwel elke dag moet het bewind van de Kirgizische president Askar Akajev de Kirgiezen uitleggen hoe nuttig en zinvol de Amerikaanse militaire aanwezigheid in hun land is, hoe nuttig en zinvol ook de internationale strijd tegen het fundamentalisme en het terrorisme is. Het begrip van het volk voor de noodzaak van een militaire basis voor uiteindelijk 3000 Amerikanen (van wie er al 900 zijn) nabij de hoofdstad Bisjkek is allerminst gemeengoed. ,,Als de Amerikanen gasten zijn, waarom zijn ze dan gewapend?'', zo citeerde onlangs een Kirgizische krant dorpelingen die protesteerden tegen de talrijke patrouilles van de Amerikanen.

De rellen van gisteren in de zuidelijke stad Dzjalalabad – in het Fergana-dal, vlakbij de grens met Oezbekistan – heeft echter niets van doen met die Amerikanen. Het heeft óók niets van doen met het islamitische fundamentalisme of met de etnische en religieuze tegenstellingen, de grote werkloosheid, de overbevolking en de milieuproblemen waarmee het probleemgebied Fergana-dal doorgaans wordt geassocieerd. Het heeft alles van doen met de harde hand waarmee Akajev zijn land regeert. Tien jaar geleden was Kirgizië het enige land in Centraal-Azië dat min of meer democratisch werd geregeerd. Maar sinds halverwege de jaren negentig heeft Akajev de teugels geleidelijk aangetrokken, en de internationale coalitie tegen het terrorisme geeft hem sinds eind vorig jaar het alibi nog harder op te treden. Het afkalven van de democratie was anderhalf jaar geleden voor de voorzitter van de presidentiële commissie voor mensenrechten al aanleiding af te treden. Toersoenbai Bakir Oeloe zei toen: ,,Ik heb alle hoop op verandering van de situatie van de mensenrechten verloren. Twee jaar lang heb ik het democratisch imago van Kirgizië op internationale fora moeten verdedigen, maar dat is steeds moeilijker geworden.'' Aanleiding voor zijn vertrek was het ondemocratische gehalte van de presidentsverkiezingen van eind 2000.

Op 5 januari van dit jaar liet Akajev de oppositiepoliticus Azimbek Beknazarov oppakken. Beknazarov, lid van het parlement (en voorzitter van de commissie voor juridische zaken), werd met terugwerkende kracht beschuldigd van nalatigheid, door in 1995, toen hij openbaar aanklager was, een verdachte in een moordzaak niet te vervolgen (hij kwam indertijd na onderzoek tot de conclusie dat de dader uit zelfverdediging had gehandeld). De arrestatie van Beknazarov was er voor de critici van Akajev één te veel: vrijwel onmiddellijk kwam een protestcampagne op gang. Half januari gingen tientallen activisten van de oppositie in hongerstaking – een aantal dat sindsdien is opgelopen tot enkele honderden. Eén hongerstaker overleed in februari. Een dag nadat de oppositiekrant Agym kritiek had geuit op Beknazarovs aanhouding, vlogen er molotov-cocktails door de ramen. Een andere oppositiekrant, Moja Stolitsa, kon na kritiek op Beknazarovs aanhouding opeens niet meer op de persen van een staatsdrukkerij worden gedrukt. In diverse dorpen in Zuid-Kirgizië boycotten leerkrachten en leerlingen het onderwijs uit protest tegen Beknazarovs aanhouding.

Akajev heeft zich van de protesten niets aangetrokken. Op 12 maart begon het proces tegen Beknazarov. Inmiddels is wegens `machtsmisbruik' zeven jaar gevangenisstraf geëist. Een veroordeling zal de politieke tegenstellingen in de voormalige democratie Kirgizië zonder twijfel nog verder aanscherpen.