New Yorkse jazz toont zich weer op SJU Festival

New-Yorkers durven weer te vliegen. Twee, drie maanden geleden regende het bij concertpromotors nog afzeggingen van Amerikaanse bands. Maar een half jaar na 9-11 staan de vernieuwers uit Downtown, de etnische kruisbestuivers van de Lower Eastside en de degelijke vaklui uit Brooklyn weer op de Europese podia. Zo ook in Utrecht, waar tweederde van het aanbod op de veertiende editie van het SJU Jazz Festival bestond uit acts uit de Big Apple.

Zo liet klarinet-goeroe Don Byron zijn Caraïbisch georiënteerde sextetmuziek klinken op het einde van de openingsavond. Organist Wayne Horvitz mocht het festival afsluiten en deed dat op de voor zijn band Zony Mash typerende manier: rauw en tegen de klippen op funkend. En de tussenliggende avond werd bekroond door gitarist Marc Ribot die een geslaagde cocktail presenteerde van Cubaanse ritmes, vuige Hammond-jazz en luidruchtig gitaarwerk.

De opvallendste buitenlander was pianist D.D. Jackson, een Canadees die woonachtig is in New York. Over het hyperenergieke spel van deze protégé van Don Pullen en Jaki Byard ligt een smeuïge latinsaus. Maar er klinken te veel geluiden uit de klassieke muziek, gospel en blues doorheen om er een eenduidig stempel op te plakken. Vooral in de uptempo nummers werkte deze formule erg goed. Dan hamerde Jackson met zijn indrukwekkend krachtige linkerhand en razendsnelle rechter- en vreesde Vredenburg-medewerkers voor de vroegtijdige dood van hun vleugel.

Als een ontketende rodeorijder stuiterde de pianist op zijn kruk, daarbij aangespoord door de dwingende grooves van drummer Mark McLean en bassist Ugonna Okegwo. Alleen in de ballads verviel Jackson nog wel eens in voorspelbare notenkeuze, die soms op het zoete af was. Wat dat betreft kan de Canadees nog wat leren van pianist Jasper van 't Hof, die op het laatste moment de door een peesontsteking gevelde Simon Nabatov verving en die met vibrafonist David Friedman een heel nieuwe wereld van harmonieën en klanken opende.

Dat de zoektocht naar nieuwe geluiden in de jazz niet beperkt is tot akoestisch instrumentarium weten vaste SJU Festivalgangers allang. Maar dit jaar kwam de elektronica er niet zo goed van af. Het trio van saxofonist Ellery Eskelin heeft dan wel een reputatie op te houden wat betreft het vermalen van tradities – de debuut-cd uit 1995 heette veelbetekenend Jazz Trash – maar wat Andrea Parkins met de samplemachine uithaalde was met de beste wil van de wereld niet muzikaal te duiden. Haar gegoochel met ruisfragmenten en vervormde accordeonklanken werkte vooral storend voor wie de interactie tussen de bandleider en de formidabele drummer Jim Black wilde volgen. En als ze dan al eens bewees ook echt te kunnen spelen dan kwam ze niet veel verder dan de simpelste akkoorden.

Ook de poging van het Utrechtse Seafood om drum 'n' bass te koppelen aan geïmproviseerde jazz liep stuk op de houterigheid van de gedateerd aandoende beats. De voorgeprogrammeerde drumpartijen mengden niet goed met de akoestische instrumenten, ongeacht de inzet van gerenommeerde improvisators als Mark Alban Lotz en Wolter Wierbos.

Dat er geen effecten nodig zijn om vernieuwend bezig te zijn bewees het Zapp! strijkkwartet. Altviolist Oene van Geel had de compositieopdracht van de VPRO aangegrepen om Chamber Grooves te schrijven, een spannend programma dat behalve klassieke kamermuziek en funky grooves ook Indiase invloeden, heavy metal, hiphop, jazz en zelfs jaren '50 doowop in zich verenigde. Het zou zonde zijn als dit frisse project tot één optreden beperkt zou blijven. En het is te hopen dat Zapp!, net als Martin Fondse vorig jaar, dit stuk op cd kan vastleggen.

SJU Jazz Festival. Gehoord: 15-17/3 Vredenburg Utrecht. Radio 4: 10, 17, 21, 24, 28/5 VPRO.